Blog

  • Begrafenis

    Op donderdag 2 november 1944 rijdt een vijftal rijtuigen vanuit Charlois in de richting van de begraafplaats Crooswijk. De inzittenden zijn eerst samengekomen voor een rouwdienst in de pastorie van Ds. J. Thomas aan de Boergoenschevliet.

    Na enig overleg is er n.l. door de Hollandse politie in toegestemd, dat de begrafenis van Hans de Jong in de eigen kring mag worden geregeld, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat  er een zeer gering aantal familieleden bij aanwezig mag zijn. Verder mag de plechtigheid op Crooswijk pas na sluitingstijd plaatsvinden. Daarom zijn er in de pastorie 5 familieleden van Hans – waarvan vier per fiets uit Friesland gekomen zijn – aanwezig, enkele bijzondere vrienden en kennissen en een vijftal ouderlingen.

    De rouwdienst wordt geleid door ds. Willemse. Hij leest uit de 90ste psalm en spreekt daarover. Deze toespraak is in 1946 toegevoegd aan het boek met een verzameling preken van ds. De Jong onder de titel ‘De Zwijgende God’. Dit moment van herdenken wordt afgesloten met het zingen van Psalm 27 vers 2.

    In zijn levensschets van Hans de Jong schrijft Willemse[WMS] later:

    Ik las en sprak over de 90ste psalm. We waren bedroefd en tegelijk vertroost. We zagen door het geloof de Heer, die voor Hans en voor ons en voor zijn kerk een toevlucht was geweest van geslacht tot geslacht. En we hoorden tegenover talloze vragen en moeilijkheden het Goddelijk antwoord: Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, ook mensen worden weggenomen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en Mijn vredesverbond niet wankelen.

    Ds. Willemse weet  te vertellen dat Hans de Jong graag hoorde spelen de Marche Funèbre van Guilmant. “Ze moesten die maar spelen op mijn graf”, heeft hij eens gezegd.

    Ingang Begraafplaats Crooswijk

    Bij het open graf wordt uit Romeinen 8 gelezen en een lied gezongen. Ook Arend de Jong, oudste broer van Hans, spreekt enkele woorden. Samen met Hans de Jong worden in hetzelfde graf op de begraafplaats Crooswijk ook Wim van der Schee, Hans Hovius, Ab de Soet en Chris Cattel begraven.

    Het maakt alles in de stilte van die winterse middag een diepe indruk. De najaarszon gaat bloedrood onder…

    Bloemen

  • Groep Albrecht

    De groep Albrecht is ontstaan op initiatief van het Nederlandse Bureau Inlichtingen in Londen en als spionagegroep actief vanaf voorjaar 1943 tot aan de bevrijding. Hans de Jong is nauw betrokken geweest bij de activiteiten van deze groep.

    Hendrik Geert de Jonge (Albrecht)

    Oprichter van de groep is Hendrik Geert de Jonge, een jonge beroepsofficier van het Nederlandse leger, opgeleid aan de KMA in Breda. Hoewel zijn keuze een andere is – hij hoopte op plaatsing bij de nieuwe luchtdoelartillerie – wordt hij door Defensie in het najaar van 1938 geplaatst als reserve-eerste luitenant bij het onderdeel kustartillerie in Hoek van Holland. Daar leert hij twee militairen kennen, die later beide deel zullen uitmaken van de Albrechtgroep. Het zijn de vaandrig C.C. van den Heuvel en de kornet Th.J.A.M. van Lier. Via de kerk in Hoek van Holland krijgt Henk de Jonge dan ook contact met ds. Hans de Jong en raakt met hem bevriend. Na de gevechtshandelingen in de eerste oorlogsdagen, die Henk de Jonge bij Hoek van Holland meemaakt, wordt hij gedemobiliseerd. Na ruim een jaar rechtenstudie aan de VU in Amsterdam vertrekt hij eind 1942 naar Engeland waar hij een zware beroepstraining volgt als geheim agent.

    In opdracht van de Nederlandse Inlichtingendienst in Londen wordt Henk de Jonge onder de codenaam Albrecht in de nacht van donderdag 11 op vrijdag 12 maart 1943 bij Hooghalen in de buurt van Assen gedropt. Die eerste nacht vindt hij onderdak in Assen op een afgesproken adres en bezoekt in dat weekend nog een contact in Dokkum. Van daaruit begint hij aan zijn opdracht. Maandag, 15 maart, vertrekt hij uit het noorden eerst naar Arnhem waar hij een van zijn eerste medewerkers ontmoet, die werkzaam is op vliegveld Deelen. Dan is zijn eerste zorg een geschikte plaats voor de zender te vinden. Via zijn vriend Cees van den Heuvel uit Voorburg leert hij Jo van Arkel kennen, bij wiens ouders in Nieuw Vennep de zender wordt ondergebracht. Dan begint Albrecht met het recruteren van een eerste 15-tal medewerkers.

    De eerste aanzet

    Hij zoekt de leden van de toekomstige groep vooral in de kring van zijn oude vrienden en relaties van de Vrije Universiteit in Amsterdam en de Gereformeerde studentenvereniging SSR. Ook heeft hij een voorkeur voor mensen met een militaire achtergrond. Zelf zegt hij hierover: “Ik werkte zodoende met geestverwanten, wier karakter mij bekend was”.
    Hij brengt alle kennis en vaardigheden, die hij in Londen heeft opgedaan, over op de nieuw in te werken groepsleden.

    De medewerkers van de Albrechtgroep moeten zich aan een aantal regels houden. Het is ten strengste verboden wapens te dragen of hulp te bieden aan onderduikers. Elk lid van de groep heeft slechts contact met twee of drie andere leden om de organisatie zo veilig mogelijk te maken i.v.m. eventuele arrestatie van één van hen. Het is binnen de groep gebruik elkaar met de voornaam of bijnaam aan te spreken.

    Er wordt op een zeer accurate wijze gewerkt aan de spionageopdracht, die tweeledig is. In de eerste plaats betreft dat het verzamelen van inlichtingen en plattegronden van o.a. vliegvelden, Duitse troepenconcentraties en -bewegingen, spoorlijnen en bunkers. Ten tweede het onderhouden van contacten met een tiental vooraanstaande politici van het z.g. Nationaal Comité. Van deze tweede opdracht is niets terechtgekomen.

    Hoewel niet inbegrepen bij zijn opdracht heeft Henk ook een persoonlijke drive: het voorbereiden van een invasie op de kust bij Hoek van Holland en in samenwerking met de Geallieerden het bevrijden van het bezette Nederland!

    Albrecht wil zich voor het uitvoeren van verkenningen in eerste instantie vooral richten op het gebied rond ’s Gravenhage tot en met Rozenburg en rond de steden Rotterdam en Utrecht. Verder een globale verkenning van de rest van Nederland.
    Hij kiest de medewerkers meestal zelf uit en instrueert hen ook persoonlijk. Hij wijkt daarmee bewust af van de in Engeland meegegeven veiligheidsregels.
    In eerste instantie geeft hij zelf de opdrachten en richtlijnen, haalt rapporten op, bezoekt zijn mensen en geeft ook kritiek. Daardoor ontstaat er geleidelijk een organisatie met medewerkers/verkenners onder de persoonlijke leiding van Albrecht.
    In de gekozen top is Albrecht de leider en Jo van Arkel (Jo) de tweede man.

    De werkwijze

    Naast Henk de Jonge (Albrecht) en Jo van Arkel (Jo) bestaat de top van de organisatie dan uit Theo van Lier (Theo) en Cees van den Heuvel (Victor).
    De werkverdeling is alsvolgt: Albrecht en Jo reizen de verschillende contacten af, Victor en Jo doen de administratie en Theo is rapporteur en ook stafverkenner.

    Het werken in een dergelijke spionagegroep eist veel van de medewerkers. Tenslotte zijn de omstandigheden bijzonder en moet de veiligheid van de groep altijd in het oog worden gehouden. Van de mensen wordt daarom volledige inzet gevraagd; iedereen is niet alleen voor zichzelf verantwoordelijk maar voor de hele groep.
    Ook is het belangrijk dat er snel en efficient wordt gewerkt, zonder dat de kwaliteit van de geleverde verkenningsrapporten daaronder lijdt.

    Uit het boek “Albrecht meldt zich”: “Ieder werd vóór alles gedreven door de plicht, zich geheel in te zetten voor de vrijmaking van Nederland. De top stond midden tussen de medewerkers, beginners niet uitgezonderd. Zo is het geweest vanaf het ontstaan tot aan de bevrijding.”

    Een ander citaat uit bovengenoemd boek:

    Het is moeilijk, aan buitenstaanders een indruk te geven van wat volledige inzet betekend heeft. Het wilde zeggen: al zijn tijd en kracht geven met opoffering van alle persoonlijke belangen en genoegens. Het betekende een ongeregeld leven, waarin men niet op gezette tijden at, dronk en sliep, maar slechts wanneer en zoals het werk het toeliet. Hier was geen sprake van een veertig-, maar van een honderd-urige werkweek, en dat voor sommigen gedurende twee jaren achtereen zonder vacantie. Voeg daarbij, dat dit alles moest gebeuren onder de druk van de bezetting, die steeds ondraaglijker werd, en men heeft een vaag beeld van de betekenis van ‘totale inzet’.

    Hoewel de top mobiel is en geen vaste werkplek heeft wordt ’s Gravenhage in eerste instantie het centrale punt van de Albrechtgroep. Daar worden alle verkregen inlichtingen verzameld en verwerkt. De top komt eind mei 1943 bijeen in Den Haag en/of Voorburg en Albrecht leert de anderen het verwerken van gegevens en het samenstellen van de rapporten.

    De berichten worden vertaald naar het Engels, gerangschikt, gedateerd, enz. Alles wordt daarna getypt en gefotografeerd. Zo ontstaat het uiteindelijke spionagemateriaal in de vorm van negatieven. Begin juni omvat de z.g. courier een aantal van 200 negatiefjes, die half juni is uitgedijd tot 250 stuks. Albrecht doet verschillende pogingen dit materiaal persoonlijk in Engeland te brengen maar elke poging loopt op een mislukking uit.

    De zender

    Een tweede probleem is, dat de door Albrecht uit Engeland meegenomen zender niet goed werkt. Elke week wordt geprobeerd vanuit de Haarlemmermeer contact te krijgen met een voor de kust opererend Engels vliegtuig of oorlogsschip maar, hoewel de Engelse partner duidelijk te verstaan is, is dat omgekeerd steeds niet het geval. Jo van Arkel doet nog meerdere pogingen om contact te maken o.a. vanuit Leiden (in de molen “De Herder”), de Bavinckschool in Den Haag, een huis in Scheveningen, maar alles tevergeefs. Op 19 september 1943 is er – na telegramwisseling – nog één poging gedaan om met de overzijde in contact te komen, maar zonder resultaat.

    molen De Herder

    Onder andere deze problemen zorgen ervoor dat Albrecht zich genoodzaakt ziet een nieuwe poging te wagen Engeland te bereiken. De verbinding met Engeland komt steeds moeizaam tot stand waardoor de contacten en het versturen van verzamelde gegevens vertraging oplopen. Ook is er bij Albrecht nog steeds de wens om een invasie uit te voeren op de Nederlandse kust. Hij wil dat in Engeland bespreken en daarvoor begrip kweken. Hij vindt het ook van belang zijn ervaringen te delen met andere agenten, die in Engeland in opleiding zijn.

    Ondertussen is in de loop van 1943 het aantal leden uitgebreid tot twintig en strekken de activiteiten van de Albrechtgroep zich uit van Twente via Utrecht tot aan de Zuid-Hollandse eilanden. In juni 1943 zijn er op acht plaatsen in Nederland verkenners gestationeerd. Een half jaar later is dat aantal al uitgebreid tot twaalf.

    Vanwege de veiligheid wordt er besloten niet langer bij elkaar te komen in particuliere huizen van familieleden of kennissen. Daarom wordt er in september ’43 door Jo een schijnadministratiekantoor ingericht in Leiden. De bedoeling is dan om dat “bureau” regelmatig te verplaatsen. Een mobiel kantoor zal door de Duitsers moeilijker op te sporen zijn.

    Jo van Arkel

    Als Albrecht uiteindelijk op 19 oktober vertrekt met de bedoeling Engeland te bereiken wordt Jo van Arkel zijn opvolger. De top wordt dan gevormd door Jo, Theo en Victor. Hoewel het eerst onduidelijk blijft hoe het Albrecht op zijn tocht vergaat wordt er wel gemeld dat hij in Toulouse is aangekomen. Het bewijs van zijn aankomst in Londen in de vorm van een afgesproken code laat op zich wachten. Toch gaat de leiding er van uit dat Albrecht veilig in Engeland is, niet wetend dat hij op 8 november aan de voet van de Pyreneeën is gearresteerd door de Gestapo. Niemand vermoedt welk drama zich ondertussen afspeelt in Frankrijk, waar de gevangengenomen Albrecht via Toulouse naar de gevangenis in Parijs is getransporteerd.

    Dat de risico’s voor de medewerkers van de Albrechtgroep groot zijn wordt pijnlijk duidelijk als op 22 november Jo, die net Albrecht is opgevolgd, wordt gearresteerd. Hij gaat met een vriend (schuilnaam Ab van Loo, medewerker van de KP) naar een afspraak in een café in Den Haag, waar ze alle twee worden gearresteerd. Er is verraad in het spel. Een papiertje in zijn portemonnaie wordt hem fataal. De catastrofe is dan compleet. Jo kan niet gemist worden. Door zijn rustig en zakelijk optreden en zijn doortastende en praktische manier van werken heeft hij veel voor de groep bereikt.

    De S.D. krijgt in de gaten dat ze een belangrijk persoon in handen hebben die gelinkt wordt aan Henk de Jonge. Ze houden ook huiszoeking bij zijn ouders en vinden de niet goed werkende zender.

    De gevolgen

    Om de gevolgen in kaart te brengen wordt er een bespreking georganiseerd in Utrecht. Er wordt afgesproken op de ingeslagen weg verder te gaan en vast te houden aan de idealen van Albrecht. De top bestaat voortaan uit Theo, Victor en Eduard (Cees Brouwer), waarbij Theo de leiding op zich neemt. Eduard is in maart ’43 met Albrecht in contact gekomen en doet inlichtingenwerk in de omgeving van Dordrecht.

    Op 23 december ’43 blijkt pas dat Albrecht in Zuid-Frankrijk is gearresteerd.

    Albrecht is in de nacht van 16 op 17 november vanuit Parijs naar de gevangenis in Haaren getransporteerd. Hij wordt daar dagelijks onderworpen aan verhoor, dat tot 8 december zal duren. Diezelfde dag ontdekt hij dat Jo is gearresteerd en in Scheveningen gevangen zit. Twee dagen later wordt ook hij overgebracht naar Haaren en onderworpen aan langdurige verhoren.

    Ondertussen hebben de leden van de Albrechtgroep alle aan Jo gelinkte adressen ontruimd. Ook wordt het adres in Leiden verlaten en wordt Rotterdam het centrale punt.
    Het wordt ook steeds riskanter om lang eenzelfde adres aan te houden. Daarom wordt er met enige regelmaat weer een ander adres gekozen. Verder is er een systeem van gescheiden privé-, administratie- en contactadressen. Ook lopen er afzonderlijke lijnen voor verkenning, verbindingen en intendance.
    In dit kader is het goed om te vermelden, dat ook in de pastorie van ds. De Jong geregeld wordt vergaderd in die periode. Korte tijd heeft daar ook een zender gestaan.

    Zo weinig mogelijk contact met andere (verzets)groepen is een belangrijke richtlijn terwijl de onderlinge contacten zeer beperkt blijven. Al deze maatregelen zorgen ervoor dat de kans op ontdekking sterk vermindert.

    Theo van Lier

    Theo van LierNa alle tegenslagen in de herfst van 1943 gaat de Albrechtgroep onder leiding van Theo van Lier het jaar 1944 in, met de vaste wil het werk van Albrecht voort te zetten.
    Om nieuwe problemen te voorkomen wordt het aantal verkenners uitgebreid en worden er vaste medewerkers gezocht voor niet al te grote gebieden.
    Ook worden er nieuwe verbindingen met Engeland georganiseerd om het verzenden van het spionagemateriaal eenvoudiger te maken.
    Dat resulteert in twee nieuwe verbindingen. Er kan materiaal meegegeven worden aan iemand die regelmatig naar Zwitserland gaat en een tweede stroom gegevens kan via de berichtenweg van Vrij Nederland.

    Al vanaf januari is Theo van plan naar Engeland te gaan. Hij voelt zich genoodzaakt het contact met Engeland te verbeteren en persoonlijk te rapporteren. De eerste twee pogingen in februari en maart stranden.

    Als in april ’44 er een nieuwe poging wordt ondernomen hebben ook de K.P.-ers daarvoor interesse. Er is in het voorjaar van 1944 een “vriendschapsverbond” gesloten tussen Albrechtgroep en K.P. De knokploegen hebben zich steeds beter georganiseerd maar ontvangen geen of weinig steun vanuit Engeland. Daarom wordt bij de volgende poging om per boot Engeland te bereiken ook een plaats ingeruimd voor één vertegenwoordiger van de K.P. Uiteindelijk zal Theo zelf de belangen van de K.P. in Engeland bepleiten omdat de K.P. op het laatste moment geen topfiguur voor de reis kan vrijmaken. Deze derde poging verloopt jammerlijk waardoor ook Theo als leider aan de groep ontvalt (zie Engelandvaarders). Opnieuw wordt er een dure prijs betaald om het contact met Engeland te verbeteren.

    Eduard

    Als opvolger van Theo wordt dan Eduard aangewezen, waarbij Victor de tweede man is. Zo is de top versmald. Eduard moet het geregeld contact met medewerkers en andere relaties, dat hij eerder samen met Theo deed, nu alleen doen. Victor is belast met de administratie en het voorbereiden van de kopij voor de fotografie. Wel komt er verlichting van die taak omdat in mei ’44 de eerste koeriersters bij de groep komen. Zij nemen de anderen veel werk uit handen en de verbindindingen worden frequenter onderhouden. Een voordeel is dat ze ook vaak veiliger door de treincontroles komen dan de mannelijke medewerkers.

    Koeriersters

    Zo wordt de Albrechtgroep in de zomer van 1944 steeds verder uitgebreid en zijn er vaste koerierslijnen, waarlangs de koeriersters vaak dagelijks reizen. De enige kennis die zij hebben is het contactadres, wat hen is gegeven. De aard en inhoud van het werk zijn hen onbekend evenals de identiteit van andere groepsleden.

    Om een indruk te geven volgt hier een weergave van de activiteiten op een willekeurige dag in augustus 1944, zoals weergegeven in het boek “Albrecht meldt zich”.

    Het was vaste gewoonte, dat elke middag tegen 18 uur de post voor de radiozender Rotterdam verliet. Deze post, die voornamelijk spoedberichten van militaire aard bevatte, kwam nog dezelfde avond bij de marconisten in de Brabantsche Biesbosch aan, waar – dankzij een uitstekend contact met Engeland – voor vlotte doorzending werd zorggedragen. Het verbindingennet met Rotterdam als middelpunt was nu zo opgezet, dat alle post uiterlijk om 17.30 uur binnen moest zijn. Dan vond een snelle schifting plaats van de copy, die voor de fotografie bestemd was, en de spoedberichten, die naar de zender gebracht werden. In de regel werd aan dit tijdschema goed voldaan. De koerierster uit Amsterdam kwam nooit over tijd. Pasklaar voor de fotografie bevatte haar copy, die werd vervoerd over het traject met de talrijkste S.D.-controles, de pas binnengekomen gegevens uit geheel Noord-Holland. Alles, wat om 12 uur te Amsterdam was, werd hierin verwerkt, waarbij dus ochtendmeldingen uit Den Helder over binnengelopen of uitgevaren Duitse convooien konden zijn.

    De post van Adriaan, die omstreeks 12 uur uit Zwolle ging, was vaak op het nippertje, daar er niet zelden vertraging was op dit lange traject, doelwit van veel treinbeschietingen. De Zwolle-copy bevatte enkele ochtendmeldingen, maar over het algemeen nieuws van de vorige dag uit het Oosten en Noorden des lands. Een speciale koerierster arriveerde uit Utrecht, waar de post van Midden-Nederland werd geredigeerd. Het was beter een aparte dienst hiervoor in te lassen, dan de koerierster in Utrecht een half uur oponthoud te bezorgen, waardoor ze de kans liep in Rotterdam de aansluiting op de zender te missen. Ook de medewerkers uit de omgeving van het centrum wisten, hoe laat hun melding ter plaatse moest zijn om snel behandeld te kunnen worden. Om 18 uur was de drukte op het centrale contactadres afgelopen. De koerierster voor de zender was naar Brabant gegaan en zou pas om 23 uur terugkeren, ook op haar terugreis beladen met materiaal, namelijk de stof voor de fotografie uit het gebied van Frans en ingekomen telegrammen uit Engeland.
    De koeriersters uit Amsterdam, Utrecht en Zwolle reisden terug naar hun haardsteden, allen voorzien van een brief voor hun chef, waarin organisatorische aanwijzingen, critiek op het geleverde werk, en nieuws over het wel en wee van de groep. Na 18 uur draaide de centrale administratie op volle toeren.

    Het ingekomen materiaal werd geordend, voorzover nodig getypt, en – als het de daarvoor bestemde dag was – diezelfde nacht gefotografeerd. De volgende ochtend vroeg bracht een koerierster het filmrolletje naar de plaats van verzending.

    Organisatieschema

    Op verschillende momenten is er in oorlogstijd een overzicht gemaakt van de omvang van het spionagewerk door de Albrechtgroep in Nederland. In de volgende afbeelding is een overzicht weergegeven uit augustus 1944 met:

    * links een organisatieschema met de namen van de verantwoordelijke personen
    * rechts de verspreiding van de activiteiten over Nederland.

    Verbindingen

    In september ’44 ontstaan er problemen met de verbindingen doordat de treinenloop onregelmatiger wordt en de treinbeschietingen toenemen. De spoorwegstaking maakt een eind aan het koerieren per trein. De koeriersters worden daardoor gedwongen dezelfde trajekten per fiets af te leggen, met dezelfde intensiteit als in de zomer. De eerste fietsverbinding is de lijn Rotterdam – Land van Altena – Brabant. Deze route vormt de hoofdader van de verbindingen maar is bijzonder lastig omdat daarbij vier rivieren moeten worden gepasseerd. Vooral de oversteek van de Bergsche Maas, de brug aan het Keizersveer, is vanwege de intensieve controles een moeilijk te nemen hindernis. Daarvoor worden dan alternatieven gezocht in de vorm van een clandestien “roeibootveer”.

    Al in het voorjaar van 1944 zijn er besprekingen gevoerd door leden van de Albrechtgroep met de Provinciale Noord-Brabantse Electriciteits-Maatschappij (P.N.E.M.) op initiatief van de hiervoor genoemde Frans (Wim van der Mast). De P.N.E.M. heeft een eigen telefoonnet, dat zich over heel Noord-Brabant uitstrekt. Dit telefoonnet wordt ter beschikking gesteld aan de Albrechtgroep. Dit net, het Bijzonder Apparaat (B.A.) genoemd om het woord telefoon niet te hoeven gebruiken, krijgt een vast punt waar de medewerkers telefonisch contact mee kunnen maken. Vanaf september wordt dit B.A. bijzonder belangrijk. Het eerste contact met de oprukkende Geallieerden wordt gelegd als er een verbinding tot stand komt met de Amerikaanse Inlichtingendienst in Maastricht. Deze verbinding heeft in oktober en november ’44 een zeer goede dienst bewezen wat veel slachtoffers onder de geallieerden voorkomen heeft. Toch is het na 18 november niet mogelijk dit B.A. nog langer te gebruiken. Hoe goed de crossline ook functioneert, de zender blijft dan toch het snelste communicatiemiddel.

    Crossings en droppings

    Vanaf begin november, als Brabant bevrijd gebied is, worden de contacten tussen het bezette noorden en het vrije zuiden door de Albrechtgroep, naast het gebruik van de zender, vooral onderhouden door koeriersdiensten en de zogenaamde crossings in de Biesbosch. Deze zijn van groot belang geweest voor de verbindingen. In de verslagen wordt een totaal van 374 crossings geteld, die vooral plaats vinden in de donkere uren van de nacht. Daarbij moet worden opgemerkt dat de risico’s groot zijn geweest. Dit werk van de Albrechtgroep heeft ook aan verschillende medewerkers het leven gekost.

    Een herinnering aan alle activiteiten van de Albrechtgroep in de Biesbosch is het “Crossline” monument, dat in Sliedrecht op het Albrechtplein te vinden is. Het is gemaakt door de kunstenaar Hans Bayens en in 1966 onthuld door Prins Bernhard.

    Crossline monument

    Ter herinnering

    Behalve de crossings zijn er door de Albrechtgroep in samenwerking met de K.P. en N.B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten) in het voorjaar van 1945 een aantal droppings uitgevoerd. Daarbij gaat het vooral om goederen waar een schreeuwend tekort aan is. Zo bezorgen de parachutes o.a. radiosets, fietsbanden, telefonie-zenders, kleding, voedsel en medicijnen. Daarbij zijn de fietsbanden het meest gewaardeerde artikel.

    Tenslotte

    Al vanaf het voorjaar van 1943 is een eerste begin gemaakt met verkenningen en rapporteren over de Duitse troepenstructuur en de Duitse stellingen van de Wehrmacht. In september ’43 is de militaire situatie door de Albrechtgroep al behoorlijk in kaart gebracht. Om de militaire onderdelen in de verschillende gebieden te identificeren worden militaire gegevens op allerlei verschillende manieren verkregen. Een beproefde methode blijkt het verzamelen van gegevens van de grafkruisen op de soldatenbegraafplaatsen die naar de verschillende onderdelen leiden. Ook vindt men een regelmaat in de nummering van de Duitse Dienststellen. Lukt het om van een bepaald gebied een lijst van veldpostnummers te krijgen, dan kan men daaruit de spreiding van alle bataljons en commandoposten afleiden. Verder worden er veel gegevens verkregen via nutsbedrijven, ziekenhuizen, gemeentehuizen, enz.

    In de loop van 1944 wordt die kennis steeds verder uitgebreid. Zeer belangrijk wordt dit inlichtingenwerk vanaf september ’44 in verband met de komende opmars van de Geallieerden vanuit het zuiden. Niet alleen bij de bevrijding van de zuidelijke provincies maar ook bij de snelle opmars van de Geallieerden in het voorjaar van 1945 is het inlichtingenwerk van de Albrechtgroep van wezenlijk belang geweest. Pas op de dag dat de bevrijders binnentrekken in de woonplaatsen van de medewerkers, kunnen ze dat werk, waarvoor ze zich met hart en ziel ruim twee jaar lang hebben ingezet, neerleggen.

    Overzicht geleverd materiaal

    Met de bevrijding van het nog bezette gebied komt een eind aan de oorlog, die ons land 5 jaar in zijn greep heeft gehouden. De bijna onmogelijke opdracht van Hendrik Geert de Jonge heeft in de laatste twee oorlogsjaren geleid tot een zeer effectief werkende spionagegroep, Albrecht H.G. genaamd. H.G. refereert aan de initialen van Albrecht maar is ook de afkorting van Hollands Glorie. De vele vrijwilligers, die zich daarvoor hebben ingezet, hebben onder zeer moeilijke en vaak gevaarlijke omstandigheden onvoorstelbaar veel werk verzet. Daarbij zijn ook slachtoffers te betreuren, waarvan een vijtiental herdacht worden in het boek “Albrecht meldt zich”.

    De gevangengenomen leiders hebben de oorlog overleefd. Henk de Jonge, Jo van Arkel en Theo van Lier worden alle drie door de Amerikanen bevrijd uit gevangenschap in Duitsland.

    Na de oorlog

    Na de oorlog wordt er een reünie gehouden voor de leden van de Albrechtgroep, waarbij de meeste leden elkaar voor het eerst ontmoeten. Het is een wonderlijke reünie van mensen die afzonderlijk van elkaar in moeilijke oorlogsomstandigheden met dezelfde opdracht bezig zijn geweest. De meeste medewerkers zien Albrecht en anderen daar voor het eerst. Tijdens die bijeenkomst wordt aan alle leden een genummerd exemplaar van het boek over de groep Albrecht met de titel “Albrecht meldt zich” uitgereikt, voorzien van de handtekening van Albrecht (Hendrik Geert de Jonge) en Eduard (Cees Brouwer). Hierbij afgedrukt als voorbeeld de voorkant met het logo en het binnenblad van het boek dat toen bij de reünie is uitgereikt aan Jo van Arkel. Dit exemplaar is in het bezit van een van zijn kinderen.

    Binnenblad exemplaar Jo van Arkel
    De afwikkeling en beëindiging van de Albrechtgroep wordt verzorgd door het Bureau Nationale Veiligheid, een Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdienst, opgericht op 29 mei 1945. Deze organisatie valt in eerste instantie onder het Militair Gezag en komt vanaf maart 1946 onder verantwoordelijkheid van Binnenlandse Zaken. Vanaf 1947 worden de activiteiten van het Bureau voortgezet door de Centrale Veiligheidsdienst, voorloper van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD).

    Administratief – en zeker ook financieel – moet er dan nog veel werk worden verzet om gemaakte kosten, opgelopen schade, etc., door leden van de Albrechtgroep in kaart te brengen en af te handelen. Deze afwikkeling wordt uitgevoerd door Jo van Arkel en Cees van den Heuvel, beide na de bevrijding in dienst van het Bureau Nationale Veiligheid.

    Bronnen:
    • Albrecht meldt zich
      N.V. Gebr. Zomer & Keuning’s Wageningen
    • Levenstriomf
      H.G. de Jonge 1990, Printing Products Hoogblokland
    • En verpletterd wordt het juk
      Verzet in Nederland 1940 – 1945
      Dr. C.M. Schulten 1995, Sdu Uitgeverij Koninginnegracht Den Haag
  • LO

    Eén van de belangrijkste initiators van de LO, die de hulp aan onderduikers op zich neemt, is Frits Slomp. Ds. Slomp, later bekend onder zijn schuilnaam Frits de Zwerver, is in de oorlog Gereformeerd predikant in het Overijsselse Heemse. Evenals ds. Hans de Jong is hij radicaal in het afwijzen van het nationaalsocialisme en laat zich niet weerhouden dit vanaf de kansel te verkondigen. Daardoor loopt hij groot gevaar en weet ternauwernood aan arrestatie te ontkomen; hij moet dan onderduiken. Als de Anti-Revolutionaire Partij wordt verboden werkt ds. Slomp mee aan bijeenkomsten van de illegale AR en treedt daarbij op als inleider. Ook houdt hij inleidingen voor de dan al verboden Gereformeerde jongerenorganisaties.

    Zo komt hij in contact met mevrouw Kuipers-Rietberg uit Winterswijk, die bestuurslid is van de Bond van Gereformeerde Vrouwenverenigingen. Zij is dan al actief in het verzetswerk als “Tante Riek”. Zij is ervan overtuigd er een landelijke organisatie moet komen voor hulp aan onderduikers. Grote groepen jongeren dreigen te worden opgeroepen voor de Arbeidsdienst en lopen daardoor het risico geïndoctrineerd te raken door het nationaalsocialisme. Zij is het die ds. Slomp ervan weet te overtuigen dat hij daarvoor de aangewezen persoon is.

    Op 25 november 1942 wordt dan in Driebergen door ds. Slomp en de onderwijzer J. van Manen de eerste afdeling opgericht van wat de LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers) zal worden. Ds. Slomp reist daarvoor het hele land door om plaatselijk commissies op te richten. Deze commissies verzamelen namen van onderduikers in hun regio, welke dan op een adressenbeurs in de consistorie van de Gereformeerde Zuiderkerk in Zwolle worden uitgewisseld.

    Hans de Jong, die ook betrokken is bij de illegale ARP, nodigt Frits Slomp uit ook in Rotterdam te komen spreken. Deze komt dan op een vergadering van de illegale AR zijn ideeën uiteenzetten. Dit mondt uit in de oprichting van een LO-afdeling in Rotterdam, bij aanvang onder leiding van de boekhandelaar H.W. Blok. Deze afdeling, die voornamelijk uit gereformeerden bestaat, probeert mensen ervan te weerhouden zich aan te melden voor de Arbeidsdienst om in Duitsland tewerkgesteld te worden en zorgt voor onderduikadressen. Daardoor raakt ook ds. De Jong steeds meer betrokken bij dit illegale werk. De Rotterdamse afdeling zal onder leiding van Blok uitgroeien tot een district dat ook veel omliggende gemeenten omvat.

    Omdat het aantal onderduikers steeds toeneemt, wordt de behoefte aan persoonsbewijzen – eerst vaak verkregen via een ‘goede’ gemeenteambtenaar – en o.a. bonkaarten, kleding en geld steeds groter. De problemen, waar de LO mee kampt, zullen begin 1944 leiden tot de oprichting van de KP in Rotterdam.

  • KP Rotterdam-Zuid

    Nadat in de zomer van 1943 het verband van de Landelijke Knokploegen (LKP) is opgericht – een organisatie die na een jaar ongeveer 600 actieve illegale werkers heeft – ontstaat de eerste Rotterdamse KP-groep in januari 1944. Ook in Rotterdam-Zuid wordt in april 1944 een kleine zelfstandige knokploeg gevormd. Deze ploeg voegt zich in juli 1944 bij de LKP-Rotterdam. Eind augustus zijn er dan in Rotterdam drie ploegen actief met in totaal 29 man en 5 koeriersters.

    Waar de LO het illegale verzorgingswerk doet, dat vooral bestaat uit de hulp aan onderduikers, bestaat de bijdrage van de LKP in eerste instantie vooral uit het oplossen van de problemen waar de LO mee te kampen heeft en het uitvoeren van kleine sabotage-acties. Ook ontstaat de noodzaak om bon- of distributiekaarten en persoonsbewijzen te verkrijgen, nodig voor het groeiend aantal onderduikers. Daarvoor worden overvallen gepleegd op distributiekantoren en gemeentehuizen. Ook houdt de KP van Rotterdam zich bezig met wapenkraken en –transporten, overvallen op gevangenissen om illegale werkers te bevrijden, wapentransporten en zelfs liquidaties van verraders.[PAW1]

    Zo zijn op 6 juni 1944 een aantal leden van de KP-Zuid betrokken bij de overval op het Huis van Bewaring in Rotterdam-Noord, waarbij onder leiding van Samuël Esmeijer met succes 17 illegale werkers worden bevrijd. Bij de geslaagde overval op het Hoofdbureau van Politie aan het Haagsche Veer op 24 oktober 1944 worden door de LKP van Rotterdam – waaronder 3 leden van de KP-Zuid – 46 mensen, onder wie 35 politieke gevangenen, bevrijd. Het gevolg van deze overval is echter dat nog diezelfde dag een afschuwelijke represaille plaatsvindt. Voor de schuilkelder op het Gedempte Doelwater bij het hoofdbureau van politie worden door de Grüne Polizei 4 arrestanten gefusilleerd. Hun lijken moeten blijven liggen tot de volgende dag 17.00 uur![OHK]

    Het optreden van de bezetter tegen het Rotterdams verzet wordt door deze acties steeds harder. Het aantal standrechtelijke executies als vergelding neemt in de herfst van 1944 zienderogen toe en de repressie op de bevolking wordt steeds verder opgevoerd.

    Zo verstrijken de dagen eind september en begin oktober 1944 onder de toenemende spanning en felle, onmenselijke repressie door de Duitse bezetter, die een gevolg is van de door de Duitsers afgekondigde Ausnahmezustand op 4 september. Deze maatregel houdt in dat op bevel van Hitler illegale verzetsstrijders zonder vorm van proces dienen te worden terechtgesteld of gevangengehouden om bij repressailles als slachtoffer te dienen.

    Voor zover bekend is de rol van Hans de Jong in het verzetswerk van de KP vooral een dienstverlenende. Zijn hoofdtaak is het onderbrengen van mensen, ook uit het verzet, die gevaar lopen. Verder wordt hij betrokken bij besprekingen en geeft hij indien nodig adviezen, waarbij de pastorie vaak wordt gebruikt als ontmoetingspunt. Ook is hij betrokken bij wapentransporten, die onder andere worden uitgevoerd door zijn huisgenoot Arie Bijl.

    Bij zijn laatste bezoek aan zijn moeder en familie in Friesland laat hij weten dat zijn werk in het verzet de nodige risico’s met zich meebrengt. Hij geeft aan dit werk als zijn opdracht te zien en het ook te kunnen doen omdat hij geen gezin heeft.  Hij is zich terdege bewust van het gevaar dat hij loopt. Zijn eigen woorden: “Als ze me te pakken krijgen, krijg ik de kogel”.

    Dr. Herman Ridderbos, die tot oktober 1942 (samen met Nicolaas Willemse) collega is van Hans de Jong in Charlois zegt daar terugblikkend over[KBD]:

    Ik denk steeds met blijdschap terug aan de eensgezinde samenwerking in de kerkeraad en aan de hartelijke vriendschap van mijn toenmalige collega’s ds. N. Willemse en later ook ds. Hantje de Jong. We waren zeer aan elkaar verbonden. Van de gevaren droeg ds. De Jong verreweg het leeuwenaandeel. Hij wilde dat ook. ‘Ik ben ongetrouwd’, zei hij dan, ‘laat mij dat maar doen’. En dit ‘dat’ was vol dreigend gevaar. Hij was ook de moedigste van ons. Hij was een man van trouw en stavast, zoals ik zelden iemand heb ontmoet….

  • Haagse KP

    Vanaf het voorjaar 1944 is in Den Haag ook een KP-ploeg actief, waarvan Chris Cattel (“Erik”) de oprichter en leider is. Cattel verzamelt een aantal jongeren, vooral begin-twintigers, die de middelbare school hebben doorlopen en waarvan een aantal student is. Anders dan in Rotterdam, waar de KP-afdeling voornamelijk uit Gereformeerden bestaat, is bij de Haagse ploeg een enkeling Protestant of Katholiek en de rest buitenkerkelijk.

    Cattel is werkzaam op het ministerie van Handel en Nijverheid en weet ook zijn collega Willem de Zanger (“Flip”) mee te krijgen. Ze zijn door hun werk in het bezit van speciale ‘Ausweise’ die hen goed van pas komen. Rond ‘Dolle Dinsdag’ wordt deze Haagse ploeg als koeriersploeg ingezet omdat deze over vervoermiddelen (auto’s, motoren), voorraden benzine en ‘Ausweise’ beschikt.

    Bij de Haagse KP zijn dan de volgende leden bekend: Chris Cattel (“Erik”), Ernst Cornelius, Ben Cramer (‘Remarc’), Boy Ecury, Rein Goedheer, Ab Jüdell (‘Bill’), Adrie Knijff, de broers Hans en Ron Koomen, Ellis Maassen, Albert de Soet (‘Ab’) en Willem de Zanger (‘Flip’).[OHK]
    Over de verplaatsing van de Haagse KP in september naar Rotterdam bestaan twee lezingen.

    In “Boy”[STN] van Ted Schouten staat daarover het volgende:

    De ontwikkelingen in Rotterdam dwongen de pas benoemde Landelijke Sabotage Commandant, Johannes van Bijnen (‘Frank’), de Knokploegen in de havenstad onder leiding van Samuël Esmeijer (‘Paul’) te versterken. Chris Cattel stelde de groep ervan op de hoogte, dat de opdracht niet zonder gevaar was en dat elk van hen er goed aan deed een afscheidsbriefje aan de familie te schrijven.

    Albert Oosthoek vermeldt in “Knokploeg Rotterdam-Zuid”[OHK]:

    In de weken die volgden, werd de Haagse illegaliteit steeds opnieuw geconfronteerd met berichten dat verzetsmensen door de SD waren opgepakt. Men vond het onverantwoord, deze ploeg – die bekend kwam te staan als ‘de Haagse knokploeg’ – hoewel zij vanaf ‘Dolle Dinsdag’ voornamelijk als koeriersploeg zou optreden – nog langer in Den Haag te laten opereren. Eind september vertrokken de Haagse KP-ers per auto en motorfiets naar Rotterdam, waar ze de eerste dagen op een boerderij in Hillegersberg doorbrachten. Maar omdat hier de knokploeg van J.A. de Groot was gestationeerd, die dit gedeelte van Rotterdam bestreek, waren ze er niet welkom. Op initiatief van Esmeijer (‘Paul’) togen ze naar Charlois, waar ze zich min of meer als zelfstandige groep vestigden.

  • Haagse KP in Rotterdam

    Bij het vertrek vanuit Den Haag naar Rotterdam geeft Chris Cattel, leider van de Haagse KP, aan dat het verstandig is, om ieder lid van de groep een afscheidsbrief aan de familie te laten schrijven met een laatste wilsbeschikking omdat het risico van arrestatie of erger groot is.

    Een voorbeeld van een dergelijke afscheidsbrief is te vinden in het boek “Boy”[STN], waarin Boy Ecury, een van de Haagse KP-ers, een uitvoerige en indrukwekkende afscheidsbrief schrijft. De brief is gericht aan zijn Antilliaanse ouders en aan zijn broers en zussen, die op Aruba wonen. De dagtekening van de brief is 27 september 1944, drie weken na ‘Dolle Dinsdag’.

    Bij aankomst in Rotterdam worden de brieven en foto’s overhandigd aan Kees Bitter, die op dat moment de leiding heeft over de KP Rotterdam-Zuid en de contacten onderhoudt met de Haagse KP.

    De KP van Rotterdam-Zuid wordt daardoor voor een nieuwe uitdaging gesteld, n.l. het opvangen en huisvesten van de hele groep in Charlois. Ds. Hans de Jong neemt deze taak op zich. Hij heeft door zijn werk als predikant en zijn connecties met de illegaliteit de mogelijkheid een oplossing te zoeken voor deze uitdaging. Allereerst is daar Koos de Jong, illegaal Bruintje genoemd. Deze zorgt ervoor dat een aantal Haagse KP-ers wordt ondergebracht bij Jan en Annie van der Pas aan de Pleinweg. Zij zijn ook lid van de Gereformeerde Kerk. Adrie Knijff, een andere Hagenaar, krijgt onderdak bij de familie Breukhoven op de Pleinweg. Ook roept de dominee de hulp in van Wim van der Schee van het Charloisse Volkshuis aan de Katendrechtse Lagedijk en wordt een aantal van de groep uit Den Haag ondergebracht in een leegstaand huis aan de Wolphaertsbocht.

    Sommige Rotterdamse KP-leden hebben bezwaar tegen de komst van de Haagse KP-ers omdat ze een enorm risico betekenen voor de Rotterdamse KP. Ze vallen in de “kleine” gemeenschap van Charlois al snel op. Vooral Eduard Schilderink, illegaal Noor genoemd, heeft vanaf het moment van hun komst de nodige bezwaren. Alleen al het feit dat enkelen van hen argeloos met een auto en een motorfiets door de Maastunnel rijden en zich komen melden op het hoofdkwartier van de KP-Zuid bij de bierbrouwerij Oranjeboom, wekt argwaan.[OHK]

    De Haagse KP-ers gebruiken de eerste dagen om de nieuwe omgeving te verkennen. In het Charloisse Volkshuis worden ze door twee gedropte Engelse agenten geïnstrueerd in het gebruik van pistolen en stenguns. Verder worden ze o.a. ingezet voor koeriersdiensten en het in kaart brengen van de troepenbewegingen bij het spoorwegemplacement van Feyenoord in Rotterdam-Zuid.

    Ook wordt er op zaterdag 21 oktober door een aantal leden van de groep, onder wie Rein, Piet en Hans, een liquidatie uitgevoerd op Maarten Frikkee, een Nederlandse politieman van de beruchte groep X, een N.S.B-er die gevaar oplevert voor het verzet. Bij deze aanslag op de Dorpsweg ter hoogte van pand nummer 157 in Charlois wordt hij wel geraakt maar niet op slag gedood. Hij overlijdt enkele uren later in het Zuiderziekenhuis. Deze actie brengt de nodige spanning met zich mee.[OHK]

    Ellis Maassen zegt daarover[STN]:

    Ik zat in het Volkshuis op wacht. Hans [red. Koomen] was toen achttien jaar … en kwam totaal overstuur terug in het Volkshuis, waar we samen een potje hebben zitten huilen. Het is ook wat, op die leeftijd bij een moordaanslag betrokken te zijn. Ik moest naar de toestand van de man informeren en heb dat via de pastoor van de dichtstbijzijnde kerk gedaan de volgende dag. Het was vóór het weekend en ik heb die pastoor gevraagd of het verantwoord was om samen met mijn verloofde naar de mis te gaan. Dit in verband met een aanslag op een N.S.B.-er. Misschien zouden er razzia’s gehouden worden. Ik zei dat ik niet wist of de man dood was, maar dat het misschien tóch beter was om het risico niet te nemen en vroeg wat de pastoor ervan dacht. Ik weet niet of de pastor het doorhad, maar hij ried mij het bijwonen van de mis af. Hij vertelde mij nog dat de N.S.B.-er niet dood was….

    De eerstvolgende dagen zullen de Hagenaars elkaar nog regelmatig ontmoeten in de woning van ds. De Jong. Bij een van deze gelegenheden vindt er een minder prettige discussie plaats tussen Hans Koomen en Boy. Hans vindt dat Boy, een Antilliaan, moet onderduiken; hij valt te veel op vanwege zijn uiterlijk. Verder wordt er nagepraat over de liquidatie. Ab merkt op dat deze gebeurtenis hun op dat moment nog niet veel doet maar over een jaar of veertig wellicht wèl.[OHK]

    In de dagen en weken daarna zal er nog een groot aantal slachtoffers vallen onder de illegale strijders, die de maanden oktober en november tot de zwartste uit de geschiedenis van het Rotterdamse verzet zullen maken.

    Hoe is de Haagse groep in Rotterdam vergaan? Chris Cattel is op donderdag 26 oktober 1944 aangehouden door de Landwacht. Het gevolg is dat Albert de Soet en een meegebrachte introducé Hans Hovius diezelfde donderdagmiddag in de woning van ds. De Jong worden gearresteerd. Twee dagen later zullen ze beide worden gefusilleerd op de schietbaan in Kralingen.

    Ook Adrie Knijff wordt die donderdagnacht in Den Haag gearresteerd. Hij wordt daar door een Nederlandse SD-er verhoord. Omdat deze inziet dat Duitsland de oorlog gaat verliezen, ontdoet hij Adrie van enige belastende papieren, waarna hij hem laat overbrengen naar het Huis van bewaring in Scheveningen, het z.g. Oranjehotel. Daarmee wordt voorkomen dat hij naar Rotterdam wordt getransporteerd. Eind november 1944 wordt Adrie met een groep medegevangenen in het kader van de arbeidsinzet op transport gesteld. Aangekomen in Assen – waar ze tankgrachten moeten graven o.l.v de Organisation Todt – weet hij met een medegevangene te ontvluchten. Hij sluit zich begin 1945 aan bij de Binnenlandse Strijdkrachten en blijft daar in dienst tot augustus 1945.

    Als Bernard Cramer en Rein Goedheer op zondag 5 november langs de Aussenstelle aan de Heemraadssingel fietsen op een tandem, worden ze achtervolgd door een groene legerbus. Bernard wordt opgepakt door de SD; Rein weet te ontkomen. Ze zijn vanuit het gebouw van de SD gesignaleerd. Ook Segundo Ecury wordt later die morgen gearresteerd in de buurt van de Aussenstelle. Beide gearresteerde Haagse KP-ers zullen de volgende dag, 6 november 1944, worden gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte.

    De niet gevangengenomen leden van de Haagse Knokploeg – Rein, Ronnie, Hans, Han, Ernst, Piet, Bill, Harry, Connie, Ellis en Flip – blijven in verwarring achter en duiken onder. Dat ze door alle gebeurtenissen in een moeilijke en risicovolle situatie zijn geraakt blijkt o.a. uit een briefje, door Flip (“Willem de Zanger”) aan Wim in Den Haag geschreven [NIOD].

    Alle zijn nu op adressen waar zij zelf voor hun huishouden moeten zorgen, d.w.z. eigen woningen zoeken, eigen potje koken, enz. Haagsche kaarten zijn er genoeg; elk krijgt er drie. Je kunt dus zelf wel een oordeel vellen over wat nodig is. Toch minstens elke maand een uitkering van 100 – 150 gulden dunkt mij. Bovendien voor het in orde houden van wagens enz. moet ook wat in reserve zijn.
    Onze bewapening bestaat momenteel uit witte zakdoeken. De MG zijn teruggegeven aan de HK Rotterdam-Zuid. De pistolen die wij hadden zijn verloren gegaan, toen wij twee maanden geleden opgerold zijn geworden. Vergeet niet dat dat toen 6 personen gekost heeft. Ik loop nu dagelijks in Rotterdam rond om nog het een en ander, wat in die benarde tijd op verschillende adressen is achtergelaten, op te halen. Want verschillende jongens zijn zo toegetakeld dat zij in colbertjasje naar Den Haag hebben moeten vluchten. Wat deze toestand betreft schijnt men in Rotterdam nog onwetend te zijn. Maar wat ik hier schrijf zijn de nuchtere feiten. Ik voor mij loop hier in Rotterdam elk ogenblik de kans op een bekende van de SD te stuiten. Daarom zou ik graag een pistool op zak hebben voor alle veiligheid. Is dat niet mogelijk?
    Ik zit hier al meer dan twee weken in Rotterdam te leven op een enkele noodkaart. Gandi is er niets bij.
    Flip

    Het antwoord komt op 15 December 1944 van Wim:

    Geef ons op met hoeveel man jullie momenteel zijn. Namen noemen. Beschrijf jullie onkosten per maand zoo nauwkeurig mogelijk. Indien deze gegevens ons bereiken kunnen wij een bedrag uittrekken en het jullie doen toekomen.
    Momenteel kunnen wij jullie niet aan wapens helpen daar alles wat tot nu toe ons bereikte inmiddels alweer is uitgereikt. Trouwens wij zijn ervan overtuigd dat jullie ploeg niet slecht bewapend is, maar dat het in dit geval alleen maar gaat om het kweeken van een reserve. Juist omdat je schrijft: Het is voor ons altijd gemakkelijk iets achter de hand te hebben.

    Vandaag verwachten wij Peter terug. Jullie zaak wordt dan ook terberde gebracht. Momenteel geen wagens noodig.
    Noodkaarten van Rotterdam zijn niet meer in ons bezit. Wat wij nog hebben is het geraamte van wat eens noodkaarten waren. Daar zou je twee exemplaren van kunnen krijgen, maar alle geldige bonnen zijn er inmiddels af. Het wordt dun Flip. Hopelijk is het niet dringend noodig en is dit evenwel toch het geval, dan hooren wij natuurlijk meer van je. We zullen dan zien, hoe er een mouw aan te passen. H.K./L.S.C./K.P. Wim.

  • R.V.V

    De Raad van Verzet (R.V.V.) is opgericht in april 1943. De initiatiefnemer is Jan Thijssen, een elektrotechnicus. Het doel van de R.V.V. is een landelijk verband te vormen voor de verzetsgroepen, die zich bezighouden met gewapend verzet, sabotage en stakingen. De oorspronkelijke doelstelling, een overkoepeling van de verschillende verzetsorganisaties, blijkt niet haalbaar en wordt later dan ook losgelaten. Wel weet de R.V.V. een Radiodienst op te bouwen, die in de zomer van 1944 operationeel is. Ook slaagt Thijssen er in een eigen radiocontact met Engeland te krijgen. Hierdoor kan de R.V.V. ook wapendroppings en militaire instructies uit Londen verwachten.

    Binnen de R.V.V. wordt in juli 1944 een Operatie-Centrum (OC) geïnstalleerd dat zich gaat richten op actief paramilitair verzet. Dit Centrum krijgt zijn thuisbasis in Maarn, in het huis van Eduard Hoogenweegen. Eduard is directeur van de Rotterdamse distilleerderij Hulstkamp & Zoon en Molijn. Vanuit zijn huis vindt er radiografisch zendverkeer plaats, ook met Londen. Het OC wordt eind augustus 1944 in Rotterdam gevestigd op het moment dat zowel Jan Thijssen als Eduard Hoogeweegen daar moeten onderduiken.[PAW1]

    Omstreeks half september wordt het hoofdkwartier van de R.V.V. gevestigd in de woning van houthandelaar J. van Stolk aan het G.W. Burgerplein 16. Als Eduard voor een opdracht naar het bevrijde zuiden moet wordt hij als brigadecommandant opgevolgd door de reder Theodorus A.W. Ruys, directeur van de Rotterdamse Lloyd.

    Uiteindelijk ontstaat er in Rotterdam een afdeling (brigade) van de R.V.V. die tot september 1944 maar een tiental leden telt. Als de leiding na dolle dinsdag (5 september) actief nieuwe leden werft bestaat de brigade in de Maasstad eind november ’44 uit bijna 1000 mannen en vrouwen, waarvan in Rotterdam-Zuid ongeveer 200. Vanaf dat moment legt de R.V.V. zich er op toe zo goed mogelijk te opereren in het verband met de andere verzetsgroepen en op te gaan in de structuur van de Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.). In aanloop naar het einde van de oorlog heeft de Raad als belangrijke opdracht sabotageopdrachten uit te voeren en vitale en strategische objecten te beschermen. Voor de R.V.V. betekent dat vooral het beschermen van de havenwerken. Ook ondersteunt de Raad de L.K.P. bij de bescherming van bruggen, viaducten en gebouwen van nutsbedrijven voor water, gas, elektriciteit.

    De organisatie van de manschappen van L.K.P., R.V.V. en O.D. (Ordedienst) in de nieuwe structuur van de B.S. gaat niet zonder slag of stoot. Uiteindelijk krijgt deze zijn beslag in maart 1945. Het strijdend gedeelte van de B.S. wordt dan ingedeeld in 12 bataljons. Op de linker Maasoever, d.w.z. op Rotterdam-Zuid, worden de bataljons 7 t/m 10 gevormd en in april nog de bataljons 12 en 13. De laatste twee bestaan voornamelijk uit O.D.ers. Bataljon 8 wordt gevormd uit leden van de L.K.P. en R.V.V. van Rotterdam-Zuid en staat onder commando van de voormalig leider van de K.P.-Zuid, Eduard Schilderink (schuilnaam Noor).

    RVV 6vmei 1945

    Het totaal aantal manschappen van de B.S. is eind april ’45 ongeveer 5000 waarvan de helft bewapend is. Het Gewestelijk Hoofdkwartier van de B.S. wordt na veel omzwervingen gevestigd in het kantoorgebouw van Heineken’s Brouwerijen. Opgemerkt kan worden dat de drie organisaties, die ondergebracht zijn in de B.S., in de nieuwe structuur wel samenwerken maar toch uiteindelijk gescheiden functioneren. L.K.P. en R.V.V. hebben een drang zich te onderscheiden van de O.D., waar ze in zekere zin op neerkijken. De leden dragen dan ook na de bevrijding als teken een B.S.-armband met een speciaal opgenaaid strookje met de toevoeging “L.K.P.” of “R.V.V.”.[PAW2] 

  • Engelandvaarders

    Cornelis (Cor) Jacobus Bijl is 17 jaar oud als de oorlog in mei 1940 uitbreekt. Cor komt uit een gezin met 16 kinderen. Hij is geboren in Maassluis en in 1929 is het gezin vertrokken naar Hoek van Holland. Vader is “zeevisscher” en woont dan niet bij zijn gezin maar aan boord van de logger Hoek van Holland 8.

    Cor BijlVanaf 1935 is Hans de Jong predikant in Hoek van Holland. Niet duidelijk is welke contacten de familie Bijl met hem heeft in die tijd. Hans verhuist in 1941 naar Rotterdam-Charlois en wordt hier predikant van de Gereformeerde Kerk. Ook Cor verruilt in augustus 1942 Hoek van Holland voor Rotterdam. Hij wordt ingeschreven bij de Gereformeerde Kerk en neemt zijn intrek in de pastorie aan de Boergoenschevliet. Hij wordt aangeduid als pleegzoon van ds. De Jong. Later krijgt ook zijn jongere broer Arie onderdak in de pastorie. Cor staat bij de Gemeente Rotterdam op dit adres ingeschreven; Arie niet, wat kan betekenen dat hij bij ds. De Jong is ondergedoken. Waarschijnlijk is dat pas in 1944 want eind 1943 woont hij nog in Hoek van Holland. Beide jongens lopen vanwege hun leeftijd gevaar om opgepakt te worden. Ze sluiten zich allebei aan bij het verzet en laten zich in Charlois zo weinig mogelijk zien.

    Het beroep van Cor is dekknecht/tremmer[1] op een sleepboot. Hij is bekend met de scheepvaart en weet de weg op de binnenwateren. Dat komt hem goed van pas als hij zich aansluit bij de groep Albrecht.

    Hans de Jong, die betrokken is bij de Albrechtgroep, geeft adviezen en stelt ook de pastorie beschikbaar als vergaderplek. Vaak worden er aan de Boergoenschevliet besprekingen gehouden en plannen uitgewerkt door leden van deze groep.

    Henk de Jonge (‘Albrecht’), de leider van de naar hem genoemde groep, doet in oktober 1943 een poging Engeland te bereiken, nadat eerdere pogingen zijn mislukt. Het doel van de oversteek is om persoonlijk rapport te doen aan de Nederlandse regering in ballingschap en de contacten te versterken. Hij probeert via Frankrijk en Spanje de oversteek te maken maar wordt in de Pyreneeën gearresteerd en gevangengezet.

    De oversteek, 1e poging

    Toch wordt het nodig gevonden dat er een nieuwe poging wordt ondernomen. Cor Bijl werkt daarvoor een plan uit. Er wordt besloten om Theo van Lier, een van de overgebleven leiders van de Albrechtgroep, naar Engeland te brengen per boot. Cor heeft daarvoor de hulp van twee vrienden, Lammert en Maarten. Zij bevaren regelmatig de Zeeuwse wateren met een binnenschip van 50 ton, zonder motor. Cor weet een ijzeren bootje te regelen, dat geschikt is als duwboot. Dit bootje is voorzien van een 4-cylinder Ford motor en heeft een topsnelheid van 14 kilometer per uur.

    Theo Johan Antoine Marie van Lier (1916 – 1992)

    Theo van LierGeboren op 11 mei 1916 in Heerlen, opgegroeid in Den Haag als zoon van een ambtenaar van het ministerie van Sociale Zaken. Theo studeert, na het gymnasium in Den Haag te hebben doorlopen, Nederlands recht aan de Rijksuniversiteit in Leiden, van 1934 tot 1938. Vanaf 1 april 1941 is Theo van Lier plaatsvervangend directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Nijmegen. In maart 1943 wordt hij lid van de spionagegroep Albrecht. Daarvan wordt hij tijdelijk leider omdat Henk de Jonge door de Duitsers gevangen is genomen. Bij de hier beschreven Engelandvaart – dit is zijn vierde poging om naar Engeland over te steken – wordt hij gevangengenomen en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

    Na de oorlog komt hij vrij uit Duitse gevangenschap en keert naar Nederland terug. Hij vervolgt dan zijn loopbaan als directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau, eerst in Apeldoorn, daarna in Dordrecht en weer in Nijmegen.
    Op 15 juli 1952 wordt hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de PvdA, welke functie hij tot 1 september 1973 zal bekleden. Daarna wordt hij benoemd als lid van de Raad van State, welke functie hij tot 1986 uitoefent.

    Een eerste poging op woensdag 12 januari 1944 mislukt. Er zijn problemen met de benzinetoevoer van de motor. Jammergenoeg kan er dan geen gebruik worden gemaakt van een gunstig getij. Ook door de ongunstige weersomstandigheden wordt de volgende poging pas op maandag 14 februari gedaan. In de tussentijd wordt de motor van de duwboot nog eens extra gecontroleerd.

    De bedoeling is volgens de regels met de combinatie duwboot/opduwer richting zee te varen tot dichtbij het zogenaamde Sperrgebiet en daar tegen het vallen van de avond in de buurt van een haven voor anker te gaan. Bij duisternis is het immers verboden te varen. Daarna zal rond middernacht de duwboot achtergelaten worden en de oversteek beginnen per motorboot.

    Zoals van tevoren bedacht zal er een vracht bieten worden gehaald in Burghsluis. Dat ligt aan de Zuidkust van Schouwen en op korte afstand van de Noordzee.

    Op de bemanningslijst staan Cor, Lammert en Maarten. Lammert zal zorgen voor het motorische gedeelte van de duwboot. Cor en Maarten zullen zich, vanwege hun nautische kennis, bezighouden met de te volgen scheepvaartroute. Het nodige materiaal – logboek, kijker, kompas en kaarten – is daarvoor aan boord aanwezig. Theo van Lier is illegaal aan boord met de documenten die hij in Engeland moet afleveren. Bij een eventuele controle zal hij zich in het binnenschip verborgen houden. Bij gevaar van ontdekking kan de verzwaarde koker met het spionagemateriaal overboord gezet worden.

    Die maandag in februari wordt de riskante onderneming gestart. Het weer is heel gunstig maar het schip heeft helaas motorpech. Met een uur vertraging en in het duister komen ze aan bij de ankerplaats niet ver van Burghsluis. Voordat ze echter voor anker kunnen gaan worden ze door een Duitse post ontdekt. De boot wordt gevangen door een zoeklicht. Er worden vuurpijlen afgeschoten en een snelvuurkanon lost enkele waarschuwingsschoten. Als een aantal patrouillevaartuigen in aantocht is wordt de koker met documenten overboord gegooid. Theo van Lier zoekt zijn schuilplaats op, die extra goed wordt afgesloten.

    Doordat het ondertussen eb wordt kunnen de Duitse vaartuigen niet dichterbij komen. De drie bemanningsleden gaan in de kajuit onder zeil maar worden ’s nachts overvallen door Duitsers van de Kriegsmarine, die bij laag water te voet genaderd zijn.

    Bij controle blijkt niets van een illegale actie. De bemanningslijst is in orde en ook het bevrachtingsboekje. Theo van Lier wordt niet ontdekt. Bij ontdekking door de Zollgrenzschutz, die speciaal toegelegd is op illegale grensoverschrijdingen, waren ze er waarschijnlijk niet mee weggekomen.

    Ze krijgen een berisping voor het varen in het duister zonder de nodige vergunning. De volgende morgen varen ze door naar het haventje van Burghsluis, waar Theo zich nog enige tijd schuilhoudt. Cor kan hem aan een “Ausweis” helpen om het Sperrgebiet te verlaten. Zo loopt dit avontuur voor de vier mannen toch goed af.

    De noodzaak om de oversteek naar Engeland te maken wordt dan minder omdat het spionagemateriaal van de groep Albrecht via twee nieuwe wegen (door Zwitserland) Engeland kan bereiken.

    De oversteek, 2e poging

    Toch wordt er in maart 1944 besloten opnieuw een poging te ondernemen via de Noordzee. Er ontstaat n.l. behoefte aan persoonlijk contact met de regering in Londen. Het doel is de regering te informeren o.a. over het werk van de Landelijke Knokploegen, over de positie van het Vaderlands Comité en het contact met de politieke partijen. Het is de verzetsstrijder Johannes Post die daarvoor Professor Victor Rutgers vraagt.

    Victor Henri Rutgers (1877-1945)

    Victor RutgersGeboren op 16 december 1877 in ’s-Hertogenbosch als zoon van een Hervormd predikant. Na zijn rechtenstudie en promotie in 1902 aan de Vrije Universiteit (VU) vestigt hij zich als advocaat in Amsterdam. Na zijn huwelijk in 1904 met Maria Wilhelmina Hovy verhuist het jonge paar naar Hilversum. Hier opent hij in 1909 weer een advocatenkantoor.

    Het gezin krijgt in Hilversum 4 dochters. Victor Rutgers wordt actief voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) in de gemeenteraad van Hilversum en in de Provinciale Staten van Noord-Holland. In 1912 wordt hij voor die partij volksvertegenwoordiger. Het gezin verhuist in 1913 naar Den Haag. Hij blijft Tweede-Kamerlid tot 1925. In diezelfde periode vervult hij diverse nevenfuncties, zoals dat ook in Hilversum het geval was. Hij wordt in 1925 Minister van Onderwijs in het eerste kabinet Colijn, dat in november 1925 na 216 dagen ten val komt.

    In 1934 is hij al voor de periode van een jaar benoemd als rector van de VU. Hij heeft dus al een carrière achter de rug als hij op 1 juni 1940 opnieuw rector magnificus van de VU wordt. Een bijzondere opdracht ziet hij in het voorzitterschap van het Protestants Hulpcomité voor uitgewekenen van Ras of Geloof. Deze organisatie biedt voor de oorlog hulp aan uit Duitsland gevluchte Joden. Rutgers speelt een belangrijke rol in het politieke verzet, vooral tegen het rechtsstelsel van Nazi-Duitsland. Hij wordt daarbij gesteund door zijn broer en twee van zijn schoonzoons.

    Ondanks zijn leeftijd van zesenzestig jaar en een matige gezondheid, mede door twee perioden van gevangenschap, is Rutgers bereid mee te gaan. Het is zijn bedoeling de Nederlandse regering in Londen ook op de hoogte te brengen van de activiteiten van het antirevolutionaire verzet. Bovendien wil hij duidelijk maken dat de ARP-leiding er niet over denkt na de oorlog diepgaande hervormingen door te voeren, een boodschap die vooral Koningin Wilhelmina met weinig vreugde zal begroeten.

    Na overleg met de top van de L.K.P. en de L.O. en langdurige gesprekken met onder andere het politieke verzet en met de latere minister-president Willem Drees, voorzitter van het Vaderlands Comité, bereidt professor Rutgers zich voor op de oversteek naar Engeland.

    Hoewel Johannes Post in eerste instantie ook van plan is zelf mee te gaan wordt toch Theo van Lier gevraagd in Engeland over de L.K.P. te rapporteren. Ook kan er dan snel spionagemateriaal van de Albrechtgroep naar Engeland worden gebracht. Bovendien kan er in Londen worden aangedrongen op het zenden van sabotagemateriaal en wapens.

    Er wordt een nieuw plan uitgewerkt in de pastorie van ds. De Jong om een aantal mensen naar Engeland te brengen. Ze zullen de oversteek per boot wagen, waarbij Cor Bijl weer de bootsman zal zijn. Behalve Cor, professor Rutgers en Theo van Lier zullen nog twee “gasten” de overtocht maken: professor Baas Becking uit Leiden en Wim Nolen, een Leidse student.

    Lourens Gerhard Marinus Baas Becking (1895-1963)

    Geboren op 4 januari 1895 in Deventer. Hij promoveert na een biologiestudie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en een verblijf van twee jaar in Californië cum laude op een verhandeling over fotosynthese. Hij wordt in 1930 benoemd als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit van Leiden en een jaar later ook als directeur van de Hortus Botanicus in Leiden. Hij is daar de drijvende kracht achter het aanleggen van een hortus, die een reconstructie is van de hortus in de begindagen. Daarvoor bestudeert hij een manuscript uit de tijd van de eerste directeur van de hortus, Carolus Clusius. Het resultaat is de bekende Clusiustuin.

    In 1939 vertrekt Baas Becking naar Java en wordt daar directeur van ’s Lands Plantentuin in Buitenzorg. In april 1940 komt hij naar Nederland voor besprekingen en om zijn afscheidscollege te houden. Vanwege het uitbreken van de oorlog kan hij in mei 1940 niet terugkeren naar Buitenzorg. Hij doet dan een poging samen met anderen in een watervliegtuig te ontsnappen vanaf het Tjeukemeer maar die poging mislukt. Baas Becking krijgt daarvoor een korte gevangenisstraf. Nu doet zich een nieuwe gelegenheid voor om het land uit te komen, alleen niet per vliegtuig maar per boot. In Londen hebben ze trouwens ook belangstelling voor professor Baas Becking vanwege zijn kennis van Nederlands-Indië.

    Woensdag, 26 april 1944: een andere route, een andere boot, dezelfde schipper. De route die nu wordt gekozen is al eerder beproefd. Deze loopt via het Haringvliet en langs het Aardappelgat[A] ten noorden van Goeree. Het principe is hetzelfde als dat van de vorige keer. Een binnenschip zonder motor zal door een opduwer tot aan de rand van het “Sperrgebiet” worden gebracht. Hierna zal ’s nachts op het geschikte moment de afvaart richting Engeland plaatsvinden.

    Deze keer wordt er een houten motorraceboot gebruikt – een 6-cylinder Buick-motor – die een snelheid van ongeveer 30 km per uur kan bereiken. In Dordrecht is de motor gereviseerd en grondig geïnspecteerd. Rond zes uur in de avond komt iedereen onopvallend aan boord. Voorafgaand aan de afvaart gaat professor Rutgers voor in gebed.

    Met de vijf genoemde personen aan boord vertrekt de duw-combinatie dan vanaf Dordrecht in de richting van Goudswaard[G] en vaart via Oude Maas[O] en Spui[S] naar het Haringvliet. Ze komen daar aan rond 23 uur. Daar moeten ze wachten tot 0.30 uur voor het geschikte moment om zee te kiezen. Ondertussen is er een taakverdeling gemaakt. Cor is natuurlijk de bootsman en Theo van Lier de leider van de onderneming. Professor Rutgers gaat voor het eten zorgen en professor Baas Becking zal hozen als dat nodig mocht zijn. Wim tenslotte zal de peilstok bedienen.

    Willem Henri Daniël Nolen

    Geboren op 20 juli 1917 in Rotterdam. Hij is het tweede kind in het gezin van Willem en Catharina Nolen, van beroep advocaat en wonend aan de Westzeedijk. Wim is bij het uitbreken van de oorlog student rechten in Leiden. Op 26 november 1941 houdt professor Cleveringa aan de Leidse universiteit zijn beroemd geworden rede als protest tegen het ontslag van Joodse hoogleraren en docenten. De studenten in Leiden gaan hierop massaal in staking. Een dag later wordt de universiteit van Leiden door de Duitse bezetter gesloten.

    Wim Nolen, dan 24 jaar oud, breekt hierop zijn rechtenstudie af en gaat in de illegaliteit. Hij sluit zich aan bij de groep “Evert”, schuilnaam van Kees Dutilh, ook zoon van een advocaat. Deze groep bestaat voornamelijk uit studenten en houdt zich bezig met militaire spionage; daarvoor worden gegevens verzameld over o.a. Duitse stellingen en legeronderdelen, spoorlijnen, etc. Van het spionagemateriaal worden microfilms gemaakt. Die worden, ontdaan van de onderlaag, via Zweedse en Zwitserse routes naar Engeland verzonden, de zogenaamde “Evertmeldingen”. Ook worden dergelijke meldingen later doorgestuurd naar de groep Erkens, genoemd naar Nic Erkens, die bereid is de rapporten via Luik naar Londen te laten seinen. Wim Nolen is in het voorjaar van 1942 in Rotterdam met Erkens in contact gekomen.

    Als in het kader van het Hannibalspiel Nic Erkens in november 1942 wordt gearresteerd loopt ook Wim gevaar. De arrestatie van Wim wordt gepland in de nacht van 18 op 19 november. Als blijkt dat Wim niet thuis is worden zijn ouders gearresteerd en in dat huis aan de Westzeedijk blijft een van de zogenaamde V-männer, Oncle Max, achter. Wim komt de volgende morgen naar zijn ouderlijk huis maar ruikt onraad en ziet kans te ontsnappen.

    Hoewel de Duitsers nog verschillende pogingen doen Wim Nolen op te pakken is hij ze steeds te slim af. Pas in april 1944 zal Wim in Duitse handen vallen als hij gearresteerd wordt bij de hier beschreven mislukte overtocht naar Engeland.

    Het Hannibalspiel

    Het duistere spel van de contraspionagedienst van de Duitse Kriegsmarine. Daarbij worden zogenaamde V-männer (vertrouwensmannen) ingezet, veelal Nederlander en/of N.S.B.-er. Zij doen zich voor als verzetslieden en weten zo door te dringen in de kern van het verzet. Het Hannibalspiel heeft betrekking op een coalitie van drie verzetsgroepen in Zuid-Nederland en België. Bij de infiltratie van deze verzetsgroepen door de handlangers van de Kriegsmarine zullen uiteindelijk tweeëntwintig verzetssmensen sterven voor het vuurpeleton of omkomen in een concentratiekamp.

    Het eerste deel van de tocht verloopt voorspoedig hoewel het kompas een behoorlijke afwijking vertoont. Er wordt op halve kracht gevaren om zo weinig mogelijk geluid te maken. De lucht is helder en het water bijna roerloos. Baas Becking moet zo nu en dan in actie komen – hij hoost met zijn hoed – omdat het pompje niet goed functioneert. Als de gevaarlijke zone bij de monding van het Haringvliet gepasseerd is gaat het “volle kracht vooruit”. De deining van de zee is voelbaar en iedereen is vol goede moed.

    engelandvaarders2

    Na anderhalf uur varen echter slaat het noodlot toe. De uitlaat is veiligheidshalve onder water in de houten wand van de boot gemonteerd. Door de hitte van de uitlaat is het hout gaan schroeien waardoor er in de wand van de boot een gat is ontstaan. Daardoor stroomt er zeewater naar binnen. Als ook de motor afslaat wordt eerst het gat gedicht en de bodem leeggehoosd. Cor maakt de benzineleidingen en carburator schoon om zeker te zijn dat er geen vuil in zit.

    Daarna wordt de motor weer gestart maar na een uur op halve kracht gevaren te hebben slaat deze definitief af. Ze zijn dan ongeveer 40 kilometer uit de kust[X] en het is weer licht aan het worden. Er is geen materiaal aan boord om het defect – nat geworden magneten – te repareren. Ook de meegenomen buitenboordmotor is niet aan de praat te krijgen. Stuurloos dobberen ze rond, overgeleverd aan wind en stroming. Ze hopen opgemerkt te worden door een bevriend vrachtschip of vliegtuig.

    Hoewel de opvarenden weten dat de kans van slagen nu vrijwel nihil is, geven ze het niet op. Vooral professor Rutgers weet de moed er in te houden: “Wat God zal beschikken zullen ze gelaten aanvaarden”. Geestelijk ongebroken probeert hij de anderen te bemoedigen en op te monteren. Hij geeft hen raadsels op en vertelt interessante ervaringen uit zijn leven. Zo dobbert het bootje twee en een halve dag op volle zee. In de loop van vrijdag zet er een stevige bries op en krijgen ze te maken met twee meter hoge golven. Ze zijn dan op ongeveer 10 kilometer van Schouwen[Y]. Als op zaterdag 29 april de wind is gaan liggen worden ze in de monding van de Oosterschelde gedreven. Daar wordt het meegenomen geheime materiaal over boord gezet.

    Arrestatie

    Als ze door de kustwacht worden opgemerkt opent een Duits 2 cm kanon het vuur. Door het zwaaien met een witte vlag kunnen ze erger voorkomen. Daarna worden ze door drie Duitse patrouillevaartuigen opgepikt en in Veere[V] aan land gebracht. Tijdens het schieten is Rutgers ook voorgegaan in gebed. Volgens Baas Becking is hij de rust zelve. Als ze worden weggevoerd richting Veere zit hij verrukt naar het landschap te staren. “Welk een heerlijke dag”, zegt hij, “Ik ben nog nooit zoo mooi Veere binnengevaren. Ik had dit voor geen geld willen missen.”

    Zo loopt ook deze laatste missie om Engeland te bereiken, ongeveer 6 weken voor de invasie, op een mislukking uit.

    Gevangenschap

    In Veere worden de Engelandvaarders in eerste instantie opgesloten in de badkamer van de marinekazerne. Vandaar worden ze overgebracht naar het Huis van Bewaring in Middelburg.

    Bij het verhoor verklaren ze unaniem dat de boot is gekocht van een zekere Brunswijk en dat de tocht gestart is vanuit Klundert. Dit om te voorkomen dat de betrokken medewerkers, die de boot hebben geregeld, opgespoord worden. Deze bewering wordt niet onderzocht en het gevolg is dat in latere stukken, zoals bijvoorbeeld in het pleidooi van professor Rutgers, Klundert genoemd staat als plaats van afvaart in plaats van Dordrecht.

    Ruim een maand later, op 3 mei 1944, worden alle vijf de opvarenden naar Haaren in Noord-Brabant getransporteerd waar ze terechtkomen in de “Polizeigefängnis”. In Haaren worden Rutgers en Baas Becking in eerste instantie gescheiden van elkaar (Einzelhaft) opgesloten. Ze moeten het doen met gevangeniskleren en klompen in plaats van schoenen. Na een paar dagen van slechte behandeling krijgen ze hun eigen kleren weer terug. Op 15 mei komen ze, m.u.v. Wim Nolen, bij elkaar in een nieuwe cel. Professor Rutgers ziet er dan vermoeid en hongerig uit.

    Zes weken later worden ze geboeid overgebracht naar de “Wehrmachtsgefängnis” in Utrecht. Daar komen ze tenslotte ook alle vier weer bij elkaar in één cel. Hier worden ze goed behandeld en ook regelmatig en goed gelucht. Op 5 juli worden ze verhoord en de dag erna is er een zitting van het marinegerecht. Op 27 juli wordt het vonnis bekrachtigd. De beide professoren Rutgers (eis 3 jaar) en Baas Becking (eis 5 jaar) worden veroordeeld tot twee jaar tuchthuisstraf met aftrek van voorarrest. Ze blijven nog een maand bij elkaar in de cel. Ze mogen geen bezoek ontvangen. Alleen een dochter van Rutgers ziet kans, verkleed als tandartsassistente, haar vader een keer in zijn cel te ontmoeten. Op 29 augustus wordt hij samen met Baas Becking geboeid naar het station gebracht en op transport gesteld naar het Duitse Kleef. Daar, op de binnenplaats van de gevangenis, zullen de beide hoogleraren elkaar op 30 augustus 1944 voor het laatst ontmoeten.

    Professor Baas Becking komt uiteindelijk terecht in de gevangenis van Siegburg, Duitsland. In dit Duitse gevangenkamp houdt hij zich bezig met een studie naar vlektyfus. Als hij in mei 1945 door de geallieerden wordt bevrijd is hij ernstig verzwakt en moet eerst aansterken. Hij keert pas in augustus 1945 in Nederland terug. In september 1945 zal hij naar zijn gezin in Java terugkeren. Hier hoort hij dat zijn oudste zoon is omgekomen.

    Vollstreckungspapiere

    Professor Victor Rutgers wordt vanuit Kleef overgebracht naar de gevangenis in Bochum. Op 5 februari 1945 sterft hij als gevolg van de slechte behandeling en een zwakke gezondheid. Volgens mensen die hem daar van nabij hebben meegemaakt is hij tot het laatst toe moedig en standvastig gebleven, ongebroken van geest en een bron van inspiratie voor zijn medegevangenen.

    Theo van Lier wordt veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Ook hij keert in 1945 naar Nederland terug. Hij gaat dan de politiek in en in de periode 1952-1986 is hij lid van de Tweede Kamer en van de Raad van State.

    Wim Nolen wordt door het Admiralsgericht van de Kriegsmarine tot levenslange tuchthuisstraf veroordeeld en komt in het tuchthuis van Lüttringhausen terecht. Daar krijgt hij op 2 december 1944 te horen van de gevangenisdirekteur dat hij wegens spionage – de Evertmeldingen – alsnog ter dood wordt veroordeeld. Op 15 april 1945 wordt Wim door de geallieerden bevrijd uit gevangenschap en zal daardoor de oorlog overleven. Na de oorlog trouwt hij en vertrekt met zijn vrouw naar Amerika.

    Graf van Cor BijlTenslotte Cor Bijl, lid van de Albrechtgroep en schipper van de boot. Ook hij is veroordeeld tot tuchthuisstraf. Door de beproevingen die hij in Duitse gevangenschap – waar is niet bekend – moet ondergaan is zijn gezondheid heel broos. Na de bevrijding komt Cor uit Duitsland terug maar hij zal Rotterdam niet halen. In Maastricht overlijdt hij op 4 september 1945 aan een longontsteking. Hij ligt begraven op de Nederlands Hervormde begraafplaats Oud-Charlois.

    [1] Tremmer: persoon die op stoomschepen de kolen uit de bunkers haalt en ze naar de stookplaats brengt

    Bronnen:
    • Levensbericht van Prof. Mr. V.H. Rutgers
      B. de Gaay Fortman 1946, J.H. Kok N.V. Kampen
    • Held van de maand juni: Victor Henri Rutgers
      R. Pottkamp 2012, Historiek.net
    • Mr. V.H. Rutgers, een vergeten Hilversummer
      A. Plomp 2008, Tijdschrift Hilversumse Historische Kring Albertus Perk
    • Inventaris van het archief van V.H. Rutgers (1897-1945)
      Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme
    • Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog deel 7
      L. de Jong 1991
    • Albrecht meldt zich
      1946 N.V. Gebr. Zomer & Keuning’s Wageningen
    • Portret Rutgers
      foto NIOD; Beeldbankwo2
    • Document Vollstreckungspapiere
      NIOD archief 020 Verwaltung und Justiz inv.no. 5048
    • Het Hannibalspiel
      Jan van Lieshout 1980, Van Holkema & Warendorf
      ISBN 90-269-4574-4
    • De Vrije Universiteit in oorlogstijd
      1946, Uitgeversmaatschappij N.V. Gebr. Zomer & Keuning’s Wageningen
  • Maastunnelgevecht

    Arie BijlArie Bijl wordt in 1924 geboren in Maassluis. In het grote gezin van Gerrit en Geertje Bijl is Arie het tiende kind. In augustus 1942 vertrekt zijn broer Cor (zie Engelandvaarders) naar Rotterdam en gaat wonen in de pastorie bij ds. De Jong. Later verhuist ook Arie  (het is onbekend wanneer) naar de pastorie in Rotterdam, maar dan als onderduiker. Ds. Nico Willems zegt daarover: “Onder zijn huisgenoten waren jongens – hij was er als een vader voor! – die vooraan stonden in ’t illegale werk en hem trouw hielpen in de uitvoering van ’t veelsoortige werk.”

    Arie is net als zijn broer Cor scheepsknecht/tremmer[1]. Ook wordt vermeld dat hij leerling marconist is. Hij is koerier van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (L.O.) en hij sluit zich aan bij de Raad van Verzet, kortweg R.V.V. genoemd. Hij wordt ingedeeld bij het 8ste bataljon in Rotterdam-Zuid. De schuilnaam van Arie is ‘Kees van Zanten’. In aanloop naar de bevrijding wordt Arie instructeur van de Binnenlandse Strijdkrachten.

    Ook Gilles van Damme is aangesloten bij de R.V.V. in Charlois, net als zijn oudere broer Ton. Gillis Anthonie Jacobus van Damme is geboren op 26 juni 1925 in Rotterdam. Zijn ouders zijn afkomstig uit Zeeland. Gilles en Tom zijn ook ingedeeld bij het 8ste bataljon. Bovendien is Giel, zoals Gilles genoemd wordt, verspreider van het illegale blad “Trouw”.

    De Maastunnel

    Beide jongens, Arie en Giel, zullen op 6 mei 1945 in één adem worden genoemd met het zogenaamde Maastunnelgevecht. De Maastunnel, het pronkstuk van de havenstad Rotterdam, is de eerste en dus oudste autotunnel van Nederland. Aan de bouw zijn stevige discussies voorafgegaan. Uiteindelijk geeft de gemeente Rotterdam de voorkeur aan een tunnel boven een brug. De bouw van de tunnel wordt gestart op 15 juni 1937 en in de oorlog onder de Duitse bezetting voortgezet. Op 14 februari 1942, midden in oorlogstijd, wordt de nieuwe tunnel geopend zonder enig ceremonieel. De tunnel bevat vier buizen: twee voor auto’s, een voor fietsers en één voor voetgangers.

    De Rotterdammers zijn natuurlijk trots en ook blij met deze nieuwe oeververbinding. Hans de Jong schrijft daarover in een brief aan één van zijn broers in Friesland:

    Ik zou jelui hier best eens willen hebben te logeeren. Jongens, we hebben hier nu toch zoo’n mooie tunnel gekregen! Maar misschien komt die tijd nog wel.

    De Bevrijding in zicht

    In aanloop naar de bevrijding is de spanning in de stad toegenomen. De stad lijdt onder de Duitse bezetter die steeds feller optreedt en veel slachtoffers maakt onder de burgerbevolking. Vanaf december 1944 is ook de jacht op verzetsstrijders geïntensiveerd. De nijpende voedselschaarste en de strenge oorlogswinter van ‘44/’45 maken het leven voor de Rotterdammers ondraaglijk. Eindelijk komt dan de bevrijding in zicht. Een voorbode daarvan zijn de voedseldroppings, die op zondag 29 april 1945 boven Rotterdam (o.a. bij de Kralingse Plas, Terbregge en de Waalhaven) plaatsvinden.

    Als dan na veel geruchten de Duitse overgave in Rotterdam bekend wordt gaan veel mensen in de stad – ook op Zuid – al feestvierend de straat op. Dat blijkt erg voorbarig te zijn. Het Duitse commando laat in de nacht van 4 op 5 mei weten dat de berichten over een algehele capitulatie vals zijn.

    Zaterdag 5 mei 1945

    De politie krijgt telefonisch bericht dat er met onmiddellijke ingang een wapenstilstand van kracht is. In Rotterdam worden aanplakbiljetten aangebracht met de volgende tekst:

    Nederlanders, sedert vandaag den vijfden Mei 1945 8 uur Duitsche Zomertijd heerscht in Nederland stilstand der wapenen. Deze stilstand der wapenen is met de legergroep Montgomery overeengekomen. Daarmede is de toestand, die sedert enkele dagen voor enkele deelen van Nederland in verband met de levensmiddelenvoorziening van de bevolking in het Westen des lands reeds bestond, uitgebreid tot het geheele bezette Nederlandsche gebied. Dit betekent noch capitulatie, noch vrede. Het gezag berust ook verder bij de Duitsche bezettingsautoriteiten. Bewaar de orde en rust. Tegen demonstraties en ordeverstoringen zal, zoo noodig met wapenen, worden opgetreden.

    De verwarring onder de bevolking is groot en van feestvreugde is geen sprake meer. De onduidelijke situatie leidt tot spanning tussen de Binnenlandse Strijdkrachten en de Duitse militairen. Daardoor ontstaan op sommige plaatsen in de stad schietpartijen en daarbij vallen ook enkele slachtoffers.

    Het is op die dag van de vijfde mei dat de B.S.’ers opdracht krijgen zich te verzamelen in hun kwartieren. Op Zuid betekent dit dat ’s morgens ongeveer 200 manschappen van het 8e bataljon in kleine groepjes naar de Maashaven gaan. Ze hebben de wapens verborgen onder hun jassen. De graansilo aan de Maashaven is voor hen het verzamelpunt en doet dienst als commandopost. Zwaarbewapende Wehrmachtsoldaten patrouilleren dan nog door de straten. De Duitsers hebben op nog geen 100 meter afstand van de graansilo een mitrailleur in stelling gebracht.

    StoommeelfabriekDeMaas

    De Duitsers, die op de hoogte zijn van de activiteiten van de B.S., voeren daarop besprekingen met hun leiders in Rotterdam. De uitkomst van de onderhandelingen is, dat de B.S. geen activiteiten mogen ontplooien en dat de Duitsers belast blijven met de ordehandhaving. Ook de Maastunnel is nog in Duitse handen.

    Uiteindelijk zal ‘s middags de afhandeling van de capitulatie plaatsvinden in hotel De Wereld te Wageningen. Aanwezig zijn de Duitse generaal Blaskowitz en de Canadese generaal Foulkes in het bijzijn van Prins Bernard, die Nederland vertegenwoordigt. Hoewel de akte wel gedateerd is op 5 mei, vindt de werkelijke ondertekening pas de vólgende middag plaats in de Landbouwhoogeschool. Dat is het gevolg van een door generaal Blaskowitz gevraagd uitstel.

    Voor Rotterdam heeft dit tot gevolg dat de handhaving van orde en rust in Rotterdam-Zuid na onderhandelingen pas met ingang van zondag 6 mei om 17.30 wordt overgedragen aan de B.S. Zolang de geallieerde troepen nog niet zijn gearriveerd zullen de manschappen van de B.S. de handhaving van orde en rust van de Duitsers overnemen. Dit met uitzondering van de bewaking van enkele vitale objecten zoals bruggen, havenwerken, postkantoor en de Maastunnel. Die worden nog door Duitse soldaten bewaakt en zullen in ongeschonden staat aan de geallieerden worden overgedragen! De overige Duitse troepen trekken zich terug in de kazernes.

    Zondag 6 mei 1945

    In de commandopost van het de B.S. op Zuid, de graansilo, wordt dan op die zondag de Nederlandse vlag gehesen. Commandant Schilderink en enkele van zijn manschappen klimmen daarvoor 14 verdiepingen hoog naar het dak van de silo. In de straten van Charlois blijft de toestand echter gespannen en verward.

    Een twaalftal B.S.-ers van het 8e Bataljon, de 30e Compagnie (1e groep, 1e sectie), waaronder Arie Bijl, Giel van Damme en zijn broer Ton, melden zich die avond om 19.00 uur bij bakker Reint Klein aan de Kaatsbaan. Ze krijgen daar de opdracht om naar de graansilo bij de Maashaven te gaan om politiedienst te doen. De kleding van de groep bestaat uit een blauwe overall met witte band om de arm. De wapens worden openlijk meegevoerd. Ze hebben een bakfiets bij zich, normaal in gebruik voor de bakkerswaren van bakker Klein, die vaak gebruikt is voor vervoer van de in de polder gedropte wapens. Deze keer is deze zogenaamde carrier gevuld met munitie, handgranaten, enz. Onder leiding van Arie Bijl vertrekken ze vanaf de Kaatsbaan[K], lopen rond de Oude Kerk via de Charloisse Kerksingel en de Clemensstraat naar de Wolphaertsstraat. Ze komen dan langs de garage van de Kriegsmarine[G] waar nog een B.S.-er (Tinus Rijkee) aansluit die boven de garage woont. Uit de garage komt dan net een auto met Duitse officieren, die hen langs zien komen. De twaalf man sterke groep gaat verder via de Karel de Stoutestraat en de Wolphaertsbocht naar de kruising met de Boergoenschestraat. Daar vervolgen ze hun weg richting Maastunnelplein.

    Kaart Maastunnel

    Dan raken ze vlak bij de Maastunnel verwikkeld in een vuurgevecht met leden van de Duitse Kriegsmarine, die hen achteropkomen. De Duitsers, aangekomen in een blauwe DKW, hebben in de Boergoenschestraat eerst al zonder enige aanleiding het vuur geopend op een samenscholing van burgers. Daarbij is ook een achtergebleven lid van de B.S.-groep beschoten. Deze raakt niet gewond en wordt een sigarenwinkel[S] ingetrokken. Dan vallen ze de drie al gepasseerde B.S.ers, die op dat moment door het plantsoen van het Karel de Stouteplein lopen, in de rug aan. Om te kunnen waarnemen wat er precies gebeurt en eventueel bijstand te kunnen verlenen, lopen de overige groepsleden de autobaan van de tunnel op, richting Maastunnel[T]  Ze verschansen zich daar en zoeken dekking achter de het brandweertunnelhuis[B] en bij de tunnelmuur.

    Een van de B.S.-ers neemt met de bren de DKW[D] onder vuur, die ondertussen in de Boergoenschestraat staat, ongeveer ter hoogte van de Habsburgstraat. Ook de anderen openen met hun wapen het vuur op de DKW. Inmiddels hebben de Duitsers ook voor versterking gezorgd en worden de jongens van de B.S. vanuit de schuttersputjes in het plantsoen door leden van de Kriegsmarine van alle kanten onder vuur genomen met mitrailleurs.

    Giel gebaart zijn broer Ton dat hij weg moet gaan en deze ziet kans zich te verschansen in een schuttersputje langs het fietspad. Daar wordt hij even later door de Duitsers gevangengenomen en samen met drie van zijn maten weggevoerd. Drie andere leden van de groep (de broers Klein en Jungerius) weten met de carrier weg te komen.

    Als een van de Duitsers bij de auto een teken van overgave geeft, roept Kees (Arie Bijl), die zich verdekt heeft opgesteld achter het brandweertunnelhuis: “Niet schieten, niet schieten, ze geven zich over”. Zodra hij erachter vandaan komt, wordt er echter direct op hem gevuurd vanuit het plantsoen. Direct daarop trekt hij zich terug en na nog een enkele maal te hebben geschoten, wordt hij dodelijk getroffen, evenals Giel van Damme, die in zijn nabijheid ligt achter de tunnelmuur.

    De mannen met de carrier bereiken de Brielschelaan en proberen zo weg te komen naar de graansilo. Op weg daarnaartoe horen ze schieten met zwaar geschut en zien vanaf de graansilo een Duitse tank in hun richting komen. Ze zoeken daarom dekking in de meelfabriek. Daar worden ze eerst niet toegelaten door de portier maar uiteindelijk mogen ze toch naar binnen en brengen zo de carrier in veiligheid. Vanuit de bescherming zien ze dan de tank voorbijkomen, geflankeerd door Duitse soldaten.

    Ondertussen gaat het vuurgevecht door. Aan Duitse zijde vallen twee doden en meerdere gewonden. Ook raken er zeven burgers zwaargewond. Pas rond negen uur die avond komt er een einde aan de gevechtshandelingen door ingrijpen van een Duitse gevechtswagen met witte vlag, bemand met Duitse soldaten en B.S.ers. Al met al duurt het hele gevecht tot ongeveer kwart over negen.

    In een rapport dat is opgesteld door Wim Jansen wordt melding gemaakt van de in beslag genomen eigendommen van de groep:

    Op 6 Mei 1945 bij het gevecht aan de toegangsweg tot de tunnel werden de volgende diensteigendommen in beslag genomen door de Duitse Kriegsmarine:

    3 koppels, 4 broodzakken, 3 stens, 1 Bren, 3 stentassen, 15 stenhouders, 4 dolken, 1 overall en 1 revolver.

    Aanvulling wordt beleefd verzocht.

    Jansen, groep 1, Sectie 1.

    Het gevangengenomen viertal wordt meegenomen naar de Duitse Vlootbasis in de Waalhaven. Ze worden ondervraagd en hevig geïntimideerd. Daar krijgen ze te horen dat twee jongens van hun groep zijn gesneuveld. Pas de volgende morgen zullen ze zelf vrijkomen. Het is Ton ondertussen duidelijk geworden dat één van de gesneuvelden zijn broer Giel is en de andere Arie Bijl (Kees van Zanten). Beide jongens hebben de plotselinge confrontatie met de Duitse militairen met de dood moeten bekopen. Terwijl de stad steeds meer in feeststemming raakt vanwege de bevrijding is er groot verdriet bij de twee families van de omgekomen jongens.

    Begrafenis

    Op 14 mei vindt de begrafenis van Arie Bijl en Giel van Damme plaats op de Hervormde Begraafplaats aan de Charloisse Lagedijk.

    Begrafenis Arie & Gilles

    In een speciale uitgave voor “Rotterdam en omstreken” van 15 mei 1945 staat vermeld:

    Begrafenis van twee strijders.

    Gistermiddag heeft op de Herv. Begraafplaats Charlois de begrafenis plaatsgehad van twee illegale werkers, die Zondag 6 Mei bij een verraderlijken overval bij de Maastunnel werden gedood, n.l. van Gilles van Damme, een van de verspreiders van “Trouw” in Zuid en van Kees van Zanten, instructeur der N.B.S.
    In de kapel, alwaar de baren stonden opgesteld, gedekt met de nationale driekleur, werd het woord gevoerd door ds. Thomas en den heer De Koning namens de C.J.M.V. Timotheus. Na het spelen van het Wilhelmus werden de stoffelijke overschotten grafwaarts gedraagen, waarna ds. Bijlsma namens beide families een dankwoord sprak. De aanwezigen zongen tenslotte het 6e couplet van het Wilhelmus.
    De plechtigheid werd o.m. bijgewoond door het geheele 8e bataljon in uniform, den Intendance der N.B.S. en vertegenwoordigers van Timotheus.

    GrafmonumentArieBijl

    Op het graf is een gedenksteen geplaatst in de vorm van een zuil. Op deze grafsteen is ook de naam van Cor Bijl, de broer van Arie, vermeld. Hij is later dat jaar, in september, ook hier begraven.

    Monument

    Op 30 april 1985 wordt op Charlois bij het garagegebouw van de Maastunnel een monument onthuld ter nagedachtenis van Arie Bijl en Gillis A.J. van Damme. Het is een wit kruis, dat bevestigd is aan de muur (oostzijde) van dit gebouw.

    Monument Maastunnel

    Ieder jaar wordt bij het monument bij de Maastunnel op 4 mei een krans gelegd om de twee jongens te gedenken. Zo staat er in de schoolkrant van de Wilhelminaschool van Charlois – uitgave juni/juli 2012 – het volgende korte verslag:

    In mei hebben de kinderen van groep 7 een krans gelegd bij het monument bij de Maastunnel om de soldaten van de 2e wereldoorlog te herdenken. Het ging specifiek om Arie Bijl en Gil van Damme, die één dag na de oorlog hier in Charlois sneuvelden. Natuurlijk maken wij ook de koppeling naar het heden. Als school vinden wij het belangrijk dat onze kinderen weten wat vrijheid is en dat er nog steeds mensen zijn die in de oorlog daarvoor vechten.

    [1] Tremmer: persoon die op stoomschepen de kolen uit de bunkers haalt en ze naar de stookplaats brengt

    Bronnen:
    • Ons Charlois
      Periodiek van de Stichting Historisch Charlois, Speciale Editie
      ter gelegenheid van de 60-jarige herdenking van de bevrijding in 2005
      pagina 12 en 13
    • NIOD, 192A, 2c (rapport in beslag genomen eigendommen, verslag 7 mei 1945 door rapporteur W. Jansen e.a.) en 8g (verslag 7 mei 1945 door groepscommandant)
    • Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog
      J.L. van der Pauw
      pagina 694
    • Verslag van de begrafenis
      Artikel Trouw (speciale uitgave Rotterdam), 15 mei 1945
  • Plaquette VU

    In het hoofdgebouw van de VU aan de Boelelaan 1105 in Amsterdam is na de oorlog op 30 december 1945 een monument onthuld ter herdenking van oorlogsslachtoffers, die lid waren van de academische gemeenschap, de z.g. Civitas Academica. Dit monument bevindt zich op de eerste verdieping, rechts tegenover de aula en naast het auditorium. Tegenover de plaquette staat het standbeeld van Abraham Kuyper.

    De tekst op de grote plaquette met goudkleurige letters luidt:

    Ter gedachtenis aan de leden van de Civitas Academica
    die tijdens de bezetting 1940 – 1945
    hun leven hebben gelaten voor Vaderland en Vrijheid
    Den Vaderlant ghetrouwe Blijf ick tot inden doot

    Op dit monument staan de namen van 89 oorlogsslachtoffers, waaronder die van ds. Hans de Jong.

    Plaquette VU

    De tekst op de kleine gedenkplaat daaronder luidt:

    Ter gedachtenis aan Jacobus Oranje
    Hoogleraar aan de Vrije Universiteit
    Geboren 27 Juli 1898 Overleden 6 April 1946
    Tijdens de bezetting was hij
    stuwende kracht van het universitair verzet
    helper van verdrukten redder van vele levens