Auteur: theyoung1

  • Gymnasium

    Na korte tijd de M.U.L.O. in Bolsward te hebben bezocht maakt Hans de Jong de overstap naar het gymnasium. Op dat moment, september 1920, is er in Leeuwarden nog geen gymnasium. Hans moet daarvoor dan naar Groningen. Al in 1909 is in Groningen een gymnasium van Protestants-Christelijke signatuur opgericht: Het Willem Lodewijk Gymnasium. In dat jaar worden ook de eerste leerlingen ingeschreven. De lessen worden gegeven in een gebouw aan de Oosterstraat, een zijstraat van het Martiniplein. Hans komt op die school in de eerste klas en verhuist naar Groningen. Zijn kostadres in Groningen is vanaf 6 september 1920 Heereweg 13, waar hij boven bakkerij Drewes woont.

    In een krantenbericht van de Leeuwarder Courant op 12 juli 1920 staat vermeld, dat “voor de 1ste klasse van het Willem Lodewijk gymnasium te Groningen is geslaagd H. de Jong te Burgwerd”. Aannemelijk is dat dit het resultaat is van een toelatingsexamen.

    In het gebouw van het Willem Lodewijk Gymnasium, aan de Verzetsstrijderslaan 220 in Groningen, is op 5 mei 1946 een gedenksteen in de vorm van een muurschildering onthuld. Op deze gedenksteen staan de namen van 19 oud-leerlingen, die in de oorlog zijn omgekomen. Daarop ontbreekt de naam van Hantje de Jong.

    Leeuwarden

    Op 15-jarige leeftijd gaat hij naar het dan net opgerichte Gereformeerd Gymnasium in Leeuwarden. Dit gymnasium start op 1 september 1921 met 2 klassen. Het is sinds de oprichting, nu bijna 100 jaar later, nog altijd gehuisvest in het gebouw aan de Gymnasiumstraat in Huizum. In 1996 is de naam van de school gewijzigd in Christelijk Gymnasium Beyers Naudé. De foto hieronder toont de hoofdingang van het gymnasium. In de hal van de school aan weerszijden van de hoofdingang zijn twee muurschilderingen aangebracht. Zie Monumenten.

    Op het gymnasium in Leeuwarden komt Hans bij aanvang van het cursusjaar 1921/1922 in de tweede klas. Hij neemt zijn intrek bij oom en tante Sybrandy in Leeuwarden in de Claes Bokkes Balkstraat. Tante Fokeltje Sybrandy is een zus van zijn moeder Aagje Feitsma. Het kostgeld bedraagt 𝑓 55,- per maand.

    Als aankomend student heeft Hans nog niet veel te besteden: 
    Ongeveer eenmaal per maand gaat hij naar zijn ouders in Burgwerd. Daarvoor reist hij dan met de autobus, hoewel hij de afstand (30 km) ook regelmatig per fiets doet. ’s Zondags bezoekt hij, als hij niet naar Burgwerd gaat, de kerkdiensten in de Leeuwarder Koepelkerk, ’s morgens om 10 uur en ’s middags om 5 uur. Hij is een trouwe kerkganger en gaat vaak samen met een van zijn klasgenoten Douwe Buwalda of Jan Mulder. In het weekend maar ook doordeweeks gaat hij regelmatig op bezoek bij een van z’n vrienden c.q. klasgenoten of op familiebezoek. Verder is hij lid van de Jongelingsvereeniging, die wekelijks bijeenkomt.

    Burgwerd

    In de vakanties is hij meestal te vinden op de ouderlijke boerderij in Burgwerd. Hans is een echte natuurliefhebber. Geen wonder als je zoals hij opgroeit op de boerderij. De boerderij ligt in een buurtschap (Hemert) midden in het weidegebied van Friesland tussen Bolsward en Harlingen. Rondom de boerderij kijk je zo ver je oog het toelaat in de zomer over de groene en bloeiende vlakte met grazende koeien en schapen, in de winter de lege kale weilanden met soms de bevroren vaarten en in de verte de kerktorens van de naburige dorpen afgetekend tegen de heldere lucht. Bij nacht langs de horizon in noordelijke richting de oplichtende vuurtorens van de Waddeneilanden.

    In het voorjaar is Hans, wanneer hij thuis is, vaak in de weilanden te vinden. Hij is een fervent eierzoeker. Vaak trekt hij er dan met een van zijn jongere broers op uit en meestal levert dat een aantal kievitseieren op of het ei van een tureluur. Is hij in Leeuwarden, dan loopt hij geregeld langs de poelier om te kijken hoeveel kievitseieren er (al) worden aangeboden. Voor Hans is dat een peiling van de vordering van het voorjaar. Uit een aantekening van hem op 1 April 1924: “Bij poelier De Jong lagen 27 kievitseieren, wel een bewijs dat de lente nog niet vlug komt.” Hij is in zijn element als er ijs in de vaarten ligt maar ook als de voorjaarszon steeds sterker wordt en de naderende zomer aankondigt.

    Gymnasiasten-leven

    De resultaten van de studie op het gymnasium zijn wisselend. De tweede klas wordt met een goed resultaat afgesloten en Hans wordt bevorderd naar klas III. Het is echter wel een voorwaardelijke bevordering. Struikelblokken zijn de oude talen Grieks en Latijn. Uiteindelijk wordt hij hij niet bevorderd naar klas IV. Daarna gaat het met de studie bergopwaarts.

    Tijdens de gymnasiumjaren ontwikkelt zich ook zijn culturele belangstelling, vooral op muzikaal gebied. Concerten die hij o.a. bezoekt, als hij in de derde klas zit:

    • Uitvoering van het Oratorium “Das Lied von der Glocke” in de Harmonie door Euphonia o.l.v. dirigent R. Beintema.
    • Het 3e abonnementsconcert in de Harmonie met de Hongaarse violist J. Szigeti.
    • Concert van de Muziekveereniging Lijempf te Leeuwarden op Hemelvaartsdag 1924 in de Prinsentuin.
    • Orgelconcerten.

    Verder is hij geabonneerd op een serie winterlezingen, waar maatschappelijke, politieke en theologische onderwerpen worden behandeld.

    Hans staat in 1924 ook aan de wieg van de Christelijke Gymnasiastenclub  “Meden  agan”, d.w.z. “niets teveel”. Hij maakt hiervan melding in zijn dagboek, zie foto hieronder. Vanaf de oprichting is Hans lid van het bestuur.

    In juni 1927 slaagt Hans voor zijn eindexamen Gymnasium B. Van de 12 kandidaten slagen er 9 voor Gymnasium A, 2 voor Gymnasium B, terwijl er 1 kandidaat wordt afgewezen. De vermelding in de Leeuwarder Courant is van 29 Juni 1927.

    Wommels

    In diezelfde zomer van 1927 is de familie De Jong op 19 mei verhuisd van Burgwerd naar het 5 kilometer verderop gelegen Wommels. Vader Tjeerd de Jong heeft daar op 1 april 1926 een boerderij gekocht aan de Bolswarderweg 144. Op het moment van verhuizen zijn de twee oudste zoons, Arend en Ruurd, al getrouwd en wonen niet meer bij hun ouders. De opvolgende broers Foppe en Jelle blijven in Burgwerd achter en nemen de pachtboerderij van hun vader over. De jongste vijf kinderen (Hans, Gerbrig, Siebren, Trienus en Piet) verhuizen met hun ouders mee naar Wommels. Van die vijf is Hans dan de oudste (21 jaar) en Piet de jongste (10 jaar). Vanuit Wommels vertrekt Hans na de zomervakantie naar Amsterdam, waar hij zich inschrijft aan de VU als student Theologie.

  • De VU

    Het eerste studiejaar

    Op 29 september 1927 verhuist Hans de Jong op 21-jarige leeftijd naar Amsterdam om aan de VU te gaan studeren. Zijn (eerste) nieuwe adres in de hoofdstad is aan het Frederik Hendrikplantsoen, net buiten de grachtengordel. Hij komt daar “in de kost” bij de familie Saager.
    Op 22 oktober 1927 zet hij zijn eerste handtekening in het “Album Discipulorum in Academia Libera Reformata” en is daarmee ingeschreven als student aan de VU onder nummer 1286.

    Inschrijving

    De Rector Magnificus op het moment van inschrijving is professor A.A. van Schelven. Ieder jaar opnieuw wordt deze handeling herhaald onder betaling van 20 gulden.

    Vondelstraat

    Hans blijft ongeveer een jaar bij de familie Saager en verhuist op 20 november 1928 naar de Vondelstraat 168, waar hij zijn intrek neemt bij de familie De Graaf. De hoofdbewoner van de woning is dominee S.G. de Graaf, gereformeerd predikant in Amsterdam.

    Ds. Simon Gerrit de Graaf (1889-1955)

    Ds. Simon Gerrit de Graaf is geboren op 23 mei 1889 in Leiden.
    Hij is getrouwd met Hermina van Mantgum.

    Zijn kandidaatsexamen doet hij in 1912 en hij is predikant van de Gereformeerde Kerk in achtereenvolgens Oosterzee (1913), St. Pancras (1917), Rijswijk (1919) en vanaf 1923 in Amsterdam.

    Van zijn hand verschijnt in de dertiger jaren de bekend geworden tweedelige serie ‘Verbondsgeschiedenis’, schetsen voor de vertelling van de bijbelse geschiedenis. Ook zijn veel van zijn preken gebundeld, gehouden in de twintiger en dertiger jaren.
    Voor studenten c.q. aanstaande predikanten zijn de preken van ds. De Graaf van grote waarde geweest.

    De Graaf is in de dertiger jaren samen met twee hoogleraren van de Vrije Universiteit, H. Dooyeweerd (1895-1977) en D.H.Th. Vollenhove (1893-1978) en met A. Janse (1890-1960) en K. Schilder (1890-1952) een van de mensen van de zogenaamde reformatorische beweging. Deze beweging hecht groot belang aan het zogenaamde Schriftonderzoek en legt de grondslag voor beoefening van een Christelijke Wijsbegeerte. Ds. De Graaf is daarbij een van de initiatiefnemers en bestuurslid van de op 14 december 1935 opgerichte Vereeniging voor Calvinistische Wijsbegeerte.

    Op 6 januari 1935 bevestigt ds. De Graaf Hans de Jong als gereformeerd predikant in zijn eerste gemeente Hoek van Holland.

    De oorlogsjaren hebben in het leven van ds. De Graaf ook hun sporen nagelaten. Zo is hij natuurlijk geconfronteerd met het verlies van Hans de Jong in oktober 1944. Ook een van zijn naaste collega’s, de 68-jarige ds. Taeke Ferwerda wordt door de Duitsers omgebracht. Ferwerda is niet alleen een collega maar ook de naaste buurman van De Graaf in de Vondelstraat. Hij is predikant van de Keizersgrachtkerk en ook curator van de VU. Dominee Ferwerda wordt in de nacht van 12 september 1944 samen met koster Siebren van der Baan in de Kerkstraat, vlak achter de Keizersgrachtkerk, gefusilleerd nadat er wapens in de kerk zijn gevonden. Van der Baan is een belangrijk verzetsman van de Trouw-groep en de LO-KP. Hij heeft wapens in de kerk verborgen. Een plaquette bij de ingang van de kerk aan de Keizersgracht herinnert aan deze afschuwelijke gebeurtenis, evenals een gedenksteen in de Kerkstraat op de plaats van de executie.

    Daarnaast is er in die jaren het conflict in de Gereformeerde Kerken rond de kwestie Schilder. Dit leidt in maart 1944 tot de schorsing van professor K. Schilder met als triest gevolg de scheuring in de Gereformeerde Kerken. Ds. De Graaf is zeer nauw bij dit proces betrokken geweest en hij heeft samen met anderen, ook na de oorlog, nog pogingen gedaan de banden met de Vrijgemaakte Kerk te herstellen.

    In september 1950 gaat hij met emeritaat. Hij overlijdt op 22 december 1955 in Amsterdam en is daar begraven op Zorgvliet.

    Hans blijft bijna drie jaar bij de familie De Graaf inwonen. In die periode woont daar ook vanaf februari 1929 tot juni 1930 Douwe Buwalda. Douwe en Hans zijn oud-klasgenoten van het gymnasium in Leeuwarden en zijn in die gymnasiumtijd vaak met elkaar opgetrokken. Douwe studeert klassieke talen aan de VU.
    Zoals Hans en Douwe eerder op zondag trouwe bezoekers waren van de Koepelkerk in Leeuwarden, zullen zij ook zeker in Amsterdam vaak onder het gehoor van ds. De Graaf hebben gezeten.

    Vondelstraat

    Het laatste studiejaar

    In de zomer van 1931 vertrekt Hans naar Friesland. In januari 1932 gaat hij weer naar Amsterdam en woont dan niet meer in de Vondelstraat maar op de Da Costakade 132.
    Dat is dan ook zijn laatste periode in Amsterdam want na zijn kandidaatsexamen op 1 juli 1932 keert hij nog diezelfde maand terug naar Wommels.

    Niet duidelijk is waarom zijn zesde en laatste inschrijving in oktober 1932 is, terwijl hij al in juli 1932 zijn kandidaatsexamen heeft gedaan. De meest voor de hand liggende verklaring is, dat Hans de mogelijkheid open wilde houden om met een doctoraalstudie te beginnen.
    De laatste twee handtekeningen – in 1931 en 1932 – bij de inschrijving zijn van de hiervoor genoemde hoogleraren Dooyeweerd en Vollenhove, dan in hun functie als Rector. De laatstgenoemden zullen al in het begin van de dertiger jaren het nationaalsocialisme sterk bekritiseren. Zij zullen zeker hebben bijgedragen aan de geestelijke vorming van student Hans de Jong en zijn zeer fanatieke afkeer later van het nazisme.

    Over zijn studie op de VU is weinig bekend. Wel blijkt uit de Almanak van het studentencorps dat hij een aantal functies heeft vervuld.
    Zo is hij op zeker moment praeses van de Theologische Faculteitsvereniging. Verder is hij actief als fiscus van de Oratorische Vereniging “Demosthenes”.
    Ook is hij lid van een van de gezelligheidscommissies, n.l. de muziekcommissie.

    Zijn schrijfstijl is terug te vinden in een door hem geschreven jaarverslag over 1931 van deze commissie:

    “Dat uw muziekcommissie in haar verslag over het afgeloopen jaar niet alleen haar bijna traditioneele klaagzang aanheft, maar ook eenige jubelklanken wenscht uit te stooten, vindt zijn reden in een – zij het dan ook eenige – belangrijke gebeurtenis.

    Hoe ongeloofelijk het ook moge schijnen – het is heusch gebeurd – het Corpus studiosorum in Universitate libera reformata, heeft aan de buitenwereld durven toonen, wat het op muzikaal gebied kan presteeren. Men zie slechts het rijk gevarieerde programma, dat op 25 November ’31 de aandacht van hen, die naar Bellevue gestroomd waren, vroeg voor werken van componisten van allerlei aard, van Händel tot Chopin, van Mendelsohn tot Ravel. Groote belangstelling was er van de zijde der corpsleden niet, reden waarom een dergelijke avond voorloopig misschien niet weer gegeven zal worden. Hulde en dank brengen we hun, die hun gaven en krachten toen gegeven hebben, in ’t bijzonder den niet-corpsleden.

    Wat hier nog volgt kan eigenlijk geen verslag meer heeten, om de eenvoudige reden, dat hier niet langer behandeld wordt, wat gebeurd, maar wat niet gebeurd is. Wij zouden U gevoegelijk kunnen verwijzen naar muziekverslagen van vorige jaren. Herhaling van dit ”nihil” zou banaal gaan klinken, als er niet de ernstige bedoeling in gezien werd om droefenis te wekken en tot verandering, in casu verbetering, aan te sporen.

    Dat de muziek in uw Corps een rol kan spelen, staat vast. Er zijn immers nog altijd menschen onder U, die het meer of minder ver op dit gebied gebracht hebben, en zoolang die er blijven, bestaat er een hoop. Moge die in werkelijkheid verkeeren. Ach, wanneer?

    Na zijn studententijd aan de VU, die hij in vijf jaar voltooit, wordt hij per 1 oktober 1932 benoemd als hulpprediker van de Gereformeerde kerk in Voorburg.

    De Vrije Universiteit

    De VU is in 1927 gevestigd aan de Keizersgracht 162. Dit grachtenpand is in 1883 aangekocht door de “Vereeniging voor Hooger onderwijs op Gereformeerde Grondslag”. Deze vereniging is officieel gesticht op 12 februari 1879 met als doel de stichting van een eigen Gereformeerde universiteit, de Vrije Universiteit. De oprichting van bijzondere universiteiten wordt mogelijk gemaakt door de wet op het hoger onderwijs van 1876. Grote initiator van de VU-stichting is Abraham Kuyper, die in dagblad “De Standaard” al in 1872 schrijft: ‘De staatshoogeschoolen zijn voor de wetenschap krenkend en voor de kerk onbruikbaar’. Geen binding met een kerkgenootschap of de staat, dat is bij deze christelijke universiteit de betekenis van het woord vrij.

    De eerste colleges, met 5 studenten en 5 hoogleraren, worden gegeven in de “Kleine Komedie” aan de Amstel. Na een grondige verbouwing komt het grachtenpand op Keizersgracht 162 in 1884 beschikbaar. Dit pand is niet alleen bedoeld voor onderwijs maar dient ook als internaat voor studenten en hoogleraren, het zogenaamde ‘Hospitium’. Dit hospitium is in de eerste plaats bedoeld voor bursalen. Dat zijn studenten die met een beurs studeren. Zij hebben gratis kost en inwoning. Voor wie jaarlijks 350 gulden betaalt is het hospitum ook een mogelijkheid als er voldoende plaats is. Bedoeling is in het internaat een huiselijke en beschermde omgeving te creëren voor de vaak van ver komende studenten. Als rond 1900 het aantal studenten groeit – in de eerste jaren zijn het er hooguit twintig – wordt in 1899 het grachtenpand op nummer 164 aangekocht ter uitbreiding van de universiteit.

    Een bijzondere bijkomstigheid is, dat Abraham Kuyper daar – op nummer 164 – vanaf oktober 1900 korte tijd woont. Als hij in 1901 na een grote verkiezingsoverwinning van de confessionele partijen minister-president wordt, verhuist hij naar Den Haag.

    In de hal van pand 162 is nog altijd de deur te zien, die Abraham Kuyper vanuit zijn woning binnendoor toegang verschafte tot de universiteit. Wegens geldgebrek wordt dit tweede pand pas in 1923 als universiteitsgebouw ingericht. Tot die tijd is het verhuurd aan een pensionhoudster.

    In 1930 wordt de VU nog uitgebreid met de panden 160 en 166. De VU beschikt dan over vier panden waarbij de zaal van nummer 162 het centrale punt is met een mooie plafondschildering uit het begin van de achttiende eeuw.

    Keizersgracht 162

    Tegenwoordig is op nummer 162 een appartementencomplex en in grachtenpand 164 is hotel “The Toren” gevestigd. Pas in 1968 wordt de Vrije Universiteit verplaatst naar het bekende gebouw in Buitenveldert aan De Boelelaan.

    Bronnen:
    • Een hoeksteen in het verzuild bestel
      De Vrije Universiteit 1880 – 2005
      A.Th. van Deursen 2005, Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam
    • Geen Duimbreed?!
      De Vrije Universiteit tijdens de Duitse bezetting
      Galt Zondergeld 2002, Uitgeverij Meinema Zoetermeer
    • De Vrije Universiteit in oorlogstijd
      Juni 1946, Uitgeversmaatschappij N.V. Gebr. Zomer & Keuning’s Wageningen
    • Kuyper achterna
      Een wandeling door het Amsterdam van Abraham Kuyper
      Peter Dillingh 2007, Eon Pers Amstelveen
  • Hoek van Holland

    Op 6 januari 1935 doet Hans de Jong zijn intree als predikant van de Gereformeerde Kerk in Hoek van Holland. Ook in dat dorp aan de Nieuwe Waterweg is de pastorie een centraal punt waar veel jongeren zich thuisvoelen. “Ze moesten maar eens genezen worden van het idee dat een dominee een onnatuurlijk mens zou zijn”, zo meent hij. Hij straalt energie en levenslust uit. Op het strand staat hij op zondagmiddag in zijn grijs colbertje evangelisatiewerk te doen. Hij brengt het evangelie in een gloedvolle toespraak, deelt traktaatjes uit en en gaat met mensen in gesprek. Het is hem op het lijf geschreven.

    Daarnaast blijft hij zijn werk als leraar aan de HBS in Leiden doen; hiervoor reist hij drie keer in de week per trein naar Leiden.

    Mobilisatie

    Als op 28 augustus 1939 de mobilisatie wordt afgekondigd en veel militairen in Hoek van Holland gelegerd worden in en rond fort Maasmond aan de kust, is dat voor hem aanleiding zich ook op hen te richten. Hij maakt veel vrienden onder de militairen, spreekt regelmatig in de militaire tehuizen en belegt contactavonden waar militairen en ook dorpsbewoners welkom zijn. Zijn huis wordt een centrum waar de militairen altijd welkom zijn. Op zondagmorgen, na de kerkdienst, is de pastorie soms overvol met militairen, waaronder veel mariniers.

    In die mobilisatietijd wordt er ook een vluchtelingenkamp ingericht voor opvang van buitenlandse Joden. Ook daarop richt hij zijn zorg en aandacht.

    Oorlog

    Als de oorlog in mei 1940 werkelijk uitbreekt, neemt het aantal vluchtelingen toe. Vooral veel inwoners uit het zwaar gehavende Rotterdam komen als vluchteling aan en hebben hulp en onderdak nodig. De oorlog is begonnen, de hulp aan onderduikers ook.

    Voor Hoek van Holland zijn vanaf de eerste oorlogsdag de gevolgen zeer ernstig. Al in de vroege morgen van vrijdag, 10 mei, vinden er in Hoek van Holland de eerste schermutselingen plaats.

    Een deel van de Duitse parachutisten, aangevlogen door Duitse transportvliegtuigen, landt bij vergissing niet op vliegveld Ockenburg bij Den Haag maar in het Staalduinse bos ten noordoosten van Hoek van Holland. De militairen in en bij het fort krijgen het zwaar te verduren, ook omdat de dreiging vanuit de rug komt. In de loop van die vrijdag en ook de dagen erna vinden er hevige beschietingen plaats en wordt het dorp Hoek van Holland zwaar gebombardeerd en gemitrailleerd door Duitse vliegtuigen.

    Op maandagavond 13 mei, om kwart voor elf, het is dan tweede Pinksterdag, komt het bericht dat een deel van Hoek van Holland moet worden geëvacueerd. Daaronder valt ook de Strandweg, waar de pastorie van ds. De Jong staat. Ook hij moet vertrekken. De enige bagage die hij kan meenemen: een paar preken en een aantal sigaren. Hij neemt die nacht zijn intrek bij ds. Van de Brink in ’s Gravenzande. Onderweg daar naar toe zegt hij tegen zijn huishoudster, mevrouw Van Dorp: “We hebben toch in elk geval een fijne winter gehad”. Het tekent zijn positieve karakter.

    Dinsdags volgt een grote stroom vluchtelingen vanuit Hoek van Holland in de richting van ‘s Gravenzande.

    Op zaterdag 25 mei kunnen de mensen weer terug naar huis. ‘s Zondags daarop is er maar een klein groepje kerkgangers. Het blijft nog gevaarlijk. ’s Nachts wordt er soms nog gebombardeerd en de brandbommen vallen in de onmiddellijke omgeving van kerk en pastorie.

    Een deel van het meubilair wordt uit voorzorg ergens anders ondergebracht en terwijl Hans de Jong ’s nachts bij kennissen slaapt woont hij overdag vier maanden lang in een half lege pastorie. Als hij een keer met een van zijn ouderlingen naar huis terugloopt moeten ze voor het dreigend gevaar schuilen in een rioolbuis. Het zijn voor hem bewogen maanden, waarin hij veel pastoraal werk verzet in zijn gemeente en daarbij veel mensen hulp en troost biedt.

  • Rotterdam-Charlois

    Als Hans de Jong in augustus 1941 naar Rotterdam-Charlois verhuist komt hij in een stad die door de oorlog getekend is. Hij wordt vanaf het eerste moment geconfronteerd met de problematiek van een stad in oorlogstijd. De naweeën van het eerste oorlogsjaar zijn in Rotterdam-Charlois nog voelbaar aanwezig.

    Rotterdam is in aanloop naar de oorlog vanuit militair opzicht van strategisch belang geweest. Niet alleen vanwege de Maasbruggen, die een belangrijke verbinding vormen tussen noord en zuid maar ook o.a. door de havens, de aanwezigheid van militaire troepen, de olieraffinaderijen en niet te vergeten vliegveld Waalhaven, dat grenst aan de wijk Charlois in Rotterdam-Zuid.

    Dat vliegveld is dan op de tiende mei ook één van de eerste doelwitten en wordt door de Duitse Luftwaffe voor het eerst rond 4 uur in de vroege morgen zwaar gebombardeerd. Daarbij raken gebouwen in brand en worden Nederlandse jachtvliegtuigen vernield. Na een tweede aanvalsgolf een uur later is de verwoesting compleet. Daarbij wordt de verdediging van het vliegveld, die bestaat uit ongeveer 600 man, voor een deel uiteengedreven. Nadat er honderden Duitse parachutisten zijn geland en ook andere Duitse luchtlandingstroepen zijn aangevoerd breken er hevige gevechten uit met aan beide zijden tientallen doden. Tegelijkertijd zijn ook in Rotterdam de eerste gevechten uitgebroken.

    Ook het grote bombardement op Rotterdam op Pinksterzondag 10 mei laat zijn sporen na. De inwoners van de havenstad aan de Maas worden geconfronteerd met de vernietiging, de dodelijke slachtoffers en de vele gewonden. Veel mensen ontvluchten de zwaar gehavende stad. Ook blijft vanaf die eerste donkere oorlogsdagen de onderdrukking en repressie van de Duitse bezetter in de havenstad toenemen. Deze zal zijn dieptepunt bereiken in de laatste oorlogsjaren met o.a. de liquidatie van verzetsstrijders en gijzelaars, de deportatie van 12000 Rotterdamse Joden, de grootschalige en zinloze vernielingen van havenwerken en kademuren eind september 1944 en de grote razzia op 10 en 11 november 1944. Dan worden ongeveer 52000 weerbare mannen in de leeftijd van 17 tot en met 40 jaar uit Rotterdam en Schiedam weggevoerd naar het oosten voor arbeidsinzet, het grootste deel (ca. 40.000 man) naar Duitsland.

    Hans de Jong komt dan ook bij zijn verhuizing naar Rotterdam in een stad, die de verschrikkingen van dat eerste oorlogsjaar nog lang niet te boven is. Hij neemt echter vanaf het begin in zijn nieuwe woonplaats een duidelijk en ferm standpunt in, zoals ook eerder al in Hoek van Holland. Zijn werk als predikant in de kerkelijke gemeente van Rotterdam-Charlois eist daardoor alle aandacht en energie op.

    Hij houdt zich niet afzijdig en dat openbaart zich al in zijn houding ten aanzien van de Arbeidsdienstplicht. In mei 1941 wordt deze diensplicht ingesteld en deze wordt verder geconcretiseerd op 1 april 1942 in het Arbeidsdienstplichtbesluit. Ook worden later alle vroegere militairen opgeroepen zich te melden voor krijgsgevangenschap en komt er een meldingsplicht voor studenten en alle 18- tot 35-jarigen.

    Hoe langer de oorlog duurt en hoe meer de mensen gebukt gaan onder de bezetting, des te meer raakt hij ook betrokken bij het illegale verzet.

    In de zomer van 1943 begint dat met het verlenen van hulp aan onderduikers. Veel mensen kloppen bij hem aan en nooit tevergeefs. Hij is voortdurend op zoek naar adressen om zo mensen die gevaar lopen een veilig onderkomen te bieden.

    Hij wordt lid van de L.O. en de K.P. in Rotterdam-Zuid. Verder wordt hij actief in de spionagegroep Albrecht en maakt hij deel uit van de “zwarte”of “illegale” A.R. partij in Rotterdam.

    In een krantenartikel van oktober 1945 bij de herdenking in Charlois wordt daarover geschreven:

    Ds. De Jong sprak , zowel van de kansel, als op catechisatie en huisbezoek, duidelijke taal. Hij wist zich geroepen door zijn Zender en voelde zich genoodzaakt te strijden voor gerechtigheid en waarheid en tegen het Nationaal Socialisme en de bezettende macht. Radikaal was hij en zeker daarom kwam de jeugd op hem af. Naast zijn drukke pastors-arbeid wist hij altijd nog gelegenheid te vinden om plaatsing en werk te zoeken voor onderduikers, om te zorgen voor levensonderhoud en distributiebescheiden. Hij was de vraagbaak voor tal van illegale organisaties, zoals de “zwarte” centrale AR-partij in Rotterdam. In de pastorie werden veel besprekingen gevoerd door de groep Albrecht.
    De pastorie, waar ds. De Jong met mevr. Van Dorp de jongens en meisjes, de vaders en moeders ontving en met hen sprak over de vele moeilijkheden van die dagen, had veel weg van een dokterswoning. Het liep er af en aan. Consequent wees hij alle medewerking af aan arbeidsdienst, arbeidsinzet in Nederland, tewerkstelling in Duitsland, het verrichten van graafwerk, etc..
    Daarbij gaat hij zo ver, dat hij “er voor naar het Maasstation gaat en iemand van de treeplank van de trein haalt om hem te weerhouden zich als arbeidsslaaf te laten gebruiken.

    Ook ds. N. Willemse schetst een beeld van het leven onder de druk van de Duitse bezetting en de manier waarop zijn collega daarin zijn weg zocht. Uit zijn “korte levensschets van Ds. Hans de Jong”[WMS] onder de titel “EEN ARBEIDER IN ’T LICHT VAN DEN OOGSTDAG” volgt hier een fragment.

    Ontzaglijk veel werk is door hem in Rotterdam verzet. Hij arbeidde maar voort, schier onvermoeid, en deed meer dan zelfs zijn beste vrienden vermoedden. Want niet alleen het werk in de gemeente eiste hem op, maar naarmate de moeilijkheden voor ons volk onder de bezetting toenamen en ’t verzet groeide, werd hij ook steeds meer in het illegale werk betrokken. In de zomer van 1943 begon dat met het hulp verlenen aan onderduikers. Hoevelen, in ’t nauw gedreven, klopten niet bij hem aan en nooit tevergeefs. Hij was rusteloos bezig met het zoeken van adressen, waar ze onderdak zouden kunnen vinden, en met het zinnen op middelen, om hen maar te kunnen redden uit de hand van de vervolgers. Waar hij maar een veilig plekje vermoedde, daar klopte hij aan en hij rustte niet voor hij heel zijn gemeente, voorzover dat kon, gemobiliseerd had om de strijd tegen de bezetter te voeren en mee hulp te bieden aan zoveel benauwden van hart. Maar wat kon hij ook toornen, wanneer hij bij sommigen onverschilligheid en liefdeloosheid vond, vaak ook ingegeven door lafhartige angst. Wat verzette hij zich tegen de slapheid van die ouders, die hun jongen naar een arbeidskamp lieten gaan.
    Zo groeide het werk van week tot week. Immers het één zat aan het ander vast. De ondergedokenen moesten ook eten en gekleed worden. De nodige bonkaarten moesten verkregen worden en hoevelen hadden niet een persoonsbewijs nodig en gestempelde papieren, om enigszins veilig te zijn. Zo kwam er vanzelf contact met de daartoe bestaande organisaties. Zijn huis werd al meer een centrum van verzetsactie. Elke dag, van de morgen tot de avond, vaak ook ’s nachts, waren er gasten, die geholpen moesten worden en niemand werd afgewezen! Ook de meest “gevaarlijke” gasten vonden menigmaal onderdak in de pastorie. Er bestonden contacten met allerlei plaatsen uit ons land. Onder zijn eigen huisgenoten waren jongens – hij was er als een vader voor! – die vooraan stonden in het illegale werk en hem trouw hielpen in de uitvoering van het veelsoortige werk.
    Intussen kon al dit werk moeilijk voor het grotere publiek geheel onopgemerkt blijven. Al kon De Jong zelf makkelijk zwijgen over deze dingen, ieder die hulp ontving was niet even voorzichtig. Al spoedig was, niet slechts bij de mensen uit de eigen gemeente, in heel de omgeving bekend dat wie in nood zat bij ds. De Jong kon aankloppen. Velen achtten het daarom noodzakelijk om een waarschuwend geluid te doen horen. Maar, hoe goed bedoeld ook, hij kon deze raadgevingen niet opvolgen. Hij zag dit werk als hem door God zelf opgelegd. Al moest natuurlijk zoveel mogelijk voorzichtigheid worden betracht, het was nu eenmaal onmogelijk alle risico’s te vermijden. We hebben ons menigmaal verwonderd, dat de altijd en overal speurende vijand niet eerder tegenover deze “illegale-strijder-vooraan” argwaan heeft gekoesterd. Wel werd ds. De Jong , evenals zijn collega’s, voor de S.D. geroepen maar dat raakte niet zijn illegale werk. Zoals in menig kerk waren ook in Charlois tijdens de kerkdienst telkens de verraderlijke afgezanten van de vijand aanwezig. Dan moest daarna rekenschap worden afgelegd over wat er gezegd was maar dit leidde gelukkig niet tot gevangenneming…

  • Arrestatie

    Op donderdag, 26 oktober 1944, komen Chris Cattel en zijn vriendin Ellis Maassen, leden van de Haagse KP, per auto terug uit Den Haag. Ze passeren onderweg naar Rotterdam twee controleposten maar bereiken zonder problemen Rotterdam. Echter, bij een autocontrole in de Tochtstraat – een zijstraat van de Zaagmolenstraat – waar Chris even een boodschap moet doen, worden ze door de Landwacht aangehouden. Omdat de legitimatiepapieren van Chris niet in orde zijn worden ze meegenomen naar het hoofdbureau van politie.

    Christiaan Anton Cattel (1922-1944)Christiaan Cattel

    Chris Cattel (schuilnaam Erik van Vloten) is geboren in Den Haag in 1923. Hij woont op de Laan van Meerdervoort en werkt op het departement van Handel en Nijverheid. Op de gedenklijst van de Stichting L.O.-L.K.P. staat hij genoteerd als student.

    In Rotterdam is hij verspreider van Trouw. Eind mei 1944 is hij in Den Haag actief en richt een K.P.-groep op, die in september 1944 naar Rotterdam vertrekt.

    Ellis Maassen zegt daarover[STN]:

    In Rotterdam ontdekten we dat we door de Duitsers gevolgd werden. Ze sommeerden ons te stoppen en één van hen kroop bij ons in de wagen. We werden naar het Haagse Veer gebracht, naar het Rotterdamse hoofdbureau van politie.

    Er zat natuurlijk wel belastend materiaal in de auto maar we konden verder niets doen, want die mof zat achter ons. Voor de deur van het Haagse Veer heeft Chris mij min of meer bevolen in de auto te blijven want hij zou – na zich gelegitimeerd te hebben – terugkomen, zei hij. Ik heb daar zitten wachten onder de ogen van de wacht. De auto stond vlak voor de ingang. Toen trachtte ik zoveel mogelijk materiaal uit de auto te halen en in mijn tas te doen, wat ook gelukt is. Maar ik kon niet bij mijn revolver, die ergens in de zitting verstopt was, zonder dat de wacht dat zou zien.

    Ik ben toen uit de auto gestapt en heb brutaal tegen de wacht gezegd, dat ik het wachten beu was en dat ik om de hoek in het Erasmus Restaurant op mijn verloofde zou wachten. Ik heb hem zelfs gevraagd, of hij die boodschap door zou willen geven. Toen ben ik inderdaad naar het restaurant gelopen en via de achterdeur omgelopen naar ons verzamelcentrum, een donker kroegje ergens in Rotterdam. Daar zat dus het hele stel van ons en daar kwam iedereen in actie. Ik herinner mij dat Boy mij trachtte te troosten.

    De bewuste kroeg is Le Perroquet aan de Provenierssingel achter het Centraal Station. Hans Koomen gaat poolshoogte nemen bij het politiebureau en ziet hoe Chris Cattel wordt weggevoerd. Hij wordt gearresteerd omdat de autopapieren niet in orde zijn. De leden van de Haagse groep, die dit alles van dichtbij meemaken, duiken onder.

    In de auto van Chris wordt een wapen gevonden en ook een sleutel met het label van het Charloisse Volkshuis aan de Katendrechtse Lagedijk 450.[V]

    In het zakboekje van Chris Cattel vindt de SD ook het (schuil)adres van ds. De Jong aan de Wolphaertsbocht 227 [W] op de eerste verdieping.[1]

    Huis aan de Wolphaertsbocht Eerste verdieping van huis aan de Wolphaertsbocht

    De SD is daarom op dat adres aanwezig als Ab de Soet en Hans Hovius daar op de motorfiets aankomen, niets wetend van de arrestatie van Chris Cattel. Ab is lid van de Haagse KP en hij komt Hans Hovius, die eerder nog niet in Rotterdam illegaal actief is geweest, bij ‘Hantje’ introduceren. Deze is echter niet thuis. De twee jongens van net in de twintig worden door de Duitsers ingerekend.

    Albert Johan de Soet (1924-1944)Albert de Soet

    Ab de Soet is geboren in 1924 in Den Haag. In de oorlog is hij student en woont in de Kamillestraat. Hoewel hij niet van plan is zich voor de Arbeidsdienst in Duitsland te melden, laat hij zich toch door een vriend overhalen en vertrekt op 30 juni 1943 naar Duitsland. In september van dat jaar keert hij terug, gedesillusioneerd door wat hij daar heeft meegemaakt en vast van plan de Duitse bezetter in Nederland te bestrijden.

    Hij sluit zich aan bij het verzet (K.P.) in Den Haag en houdt zich o.a. bezig met verspreiding van illegale lectuur en het verzorgen van distributiekaarten en persoonsbewijzen. In september 1944 vertrekt hij met andere KP-ers naar Rotterdam.

    Hans Christiaan Hovius (1922-1944)Hans Hovius

    Hans Hovius, geboren in 1922 in Den Haag, is student. Hij woont in Den Haag aan het Pinksterbloemplein. Hij is eerst werkzaam voor de Ordedienst (O.D.) en ook voor de Intelligence Service G.S. III, een voorloper van de Nederlandse Militaire Inlichtingendienst. Ook is hij in Den Haag lid van de L.O. en de L.K.P. Hans is bevriend met Albert de Soet, met wie hij op 26 oktober 1944 naar Rotterdam gaat om zich daar aan te sluiten bij de Haagse KP-ers.

    Zoals elke week is er die donderdagmiddag een bidstond – geleid door ds. Nicolaas Willemse – in de Vlietkerk (de latere Bethelkerk) aan de Boergoenschevliet[B]), waarbij gebeden wordt om uitkomst in de nood van bezetting en onderdrukking. Deze dienst wordt ook door Hans de Jong bijgewoond. Als hij na de dienst op weg gaat naar zijn schuiladres aan de Wolphaertsbocht wordt hij door buurtbewoners gewaarschuwd voor het dreigende gevaar. Hij is echter niet van plan de twee KP-ers in de steek te laten en wordt bij thuiskomst voor de deur van zijn huis ook gearresteerd. Binnen wordt door de SD huiszoeking gedaan terwijl ds. De Jong onder schot gehouden wordt. Hoewel er wapens in huis aanwezig zijn worden deze niet gevonden.[2]

    Ds. Willemse[WMS]:

    Rustig en schijnbaar onbewogen zat hij neer, vond nog gelegenheid om voor het dienstmeisje te pleiten – mevr. Van Dorp was gelukkig juist afwezig en kon nog bijtijds gewaarschuwd worden – en werd toen met de twee anderen per auto vervoerd naar de Heemraadssingel waar ’t beruchte huis van de SD zich bevond.

    Daarna wordt ook huiszoeking gedaan in het Charloisse Volkshuis, waar de directeur Willem van der Schee als verdachte wordt weggevoerd.

    Willem Leendert van der Schee (1909-1944)Willem Leendert van der Schee

    Wim van der Schee is geboren in 1909 te Rotterdam als zoon van Leendert van der Schee en Johanna Lems. Het Gereformeerde gezin telt vier zoons en drie dochters. Wim trouwt in november 1939 met Petronella Goedvolk en woont dan – met een onderbreking – in de De Quakstraat op Zuid.

    Wim is eerst reiziger van beroep en wordt later jeugdleider van Clubhuis “De Arend”. In de oorlogsjaren is hij directeur van het Charloisse Volkshuis aan de Katendrechtse Lagedijk. Hij raakt betrokken bij het werk van de KP. In het Volkshuis worden enkele Haagse KP-ers ondergebracht. Verder worden er wapeninstructies gegeven en ook wapens opgeslagen.

    ’s Avonds rond half 8 loopt ook Klaas van Drimmelen – een gemeentelid van de dominee – in de val, als hij hem aan de Wolphaertsbocht een bezoek wil brengen. Hij wordt door de Landwacht, die daar is blijven posten, ingerekend. Om op deze manier nog meer illegale werkers te kunnen oppakken blijven de landwachters in de woning van de predikant!

    Daardoor kan ook Koos de Jong, illegaal Bruintje genoemd, worden aangehouden als hij nietsvermoedend langskomt om Hans de Jong iets te brengen. Bij fouillering wordt er o.a. een verdacht briefje over een wapentransport gevonden. Het pistool en de bonkaarten, die hij van plan was aan ‘Hantje’ te geven heeft hij achtergelaten bij zijn moeder aan de Katendrechtsche Lagedijk.[OHK1]

    Alle arrestanten worden naar het gebouw van de SD – de z.g. ‘Aussenstelle’ – op de hoek van de Heemraadssingel[H] en de Mathenesserlaan gebracht om verhoord te worden. Diezelfde nacht nog wordt Adrie Knijff – die in eerste instantie met Ab de Soet naar Rotterdam had zullen gaan – van zijn bed gelicht door de Haagse SD en meegenomen.

    ’s Avonds verspreidt zich in Charlois het droeve nieuws: Ds. De Jong is gevangen genomen en weggevoerd.

    [1] In Het Parool van 14 november 1944 wordt een andere lezing gegeven omtrent de ontdekking door de Duitsers van het adres aan de Wolphaertsbocht waar ds. De Jong verbleef. Het artikel begint met de volgende alinea:

    Op 23 October j.l. begon het drama, dat leidde tot de barbaarsche ‘ontmanning’ van Rotterdam en omstreken. Op dien dag heeft de Gestapo in het St. Franciscus Ziekenhuis een inval gedaan. In de kelder werden verschillende personen gearresteerd en tien daarvan op de plaats vermoord. Hier werden enkele lijsten gevonden, die als gevolg hadden, dat de Geref. Predikant van Charlois, ds. De Jong, en nog vier leden van een verzetsgroep werden gearresteerd en doodgeschoten. Vervolgens worden nog 90 mannen, aan de hand van de gevonden lijsten, gearresteerd en in het bureau Haagse Veer opgesloten. Den volgenden dag geschiedde op dit bureau een overval door 50 man met enkele overvalauto’s. Zij forceerden de toegang en wisten 40 van de gearresteerden te bevrijden.

    Het ligt niet voor de hand dat dit verslag in het Parool juist is omdat ds. De Jong pas op donderdag 26 oktober ‘s middag is gearresteerd, dus twee dagen na de overval op de gevangenis aan het Haagse Veer.

    [2] In zijn boek ‘Knokploeg Rotterdam-Zuid’[OHK1] vermeldt Oosthoek dat er door de SD wél wapens worden ontdekt in de woning waar ds. De Jong gevangen wordt genomen.

  • Heemraadssingel

    Alle arrestanten, die op donderdag 26 oktober zijn gearresteerd, worden overgebracht naar het gebouw van de SD aan de Heemraadssingel[H] in Rotterdam, waar ze worden ondervraagd. Koos de Jong is de laatste arrestant, die uit het huis aan de Wolphaertsbocht wordt opgehaald door de ‘Kriminalsekretär’ J.W. Hoffmann met een handlanger. Bij binnenkomst worden hem op de gang al enige vragen gesteld door een lid van ‘groep X’, die op Charlois woont. De Duitse Sicherheitsdienst heeft in Rotterdam de beschikking over een dertigtal Nederlandse poltiemannen, die berucht zijn geworden onder de naam ‘Groep X’ (uitgesproken als Groep Tien). Deze pro-Duitse politiebeambten houden zich intensief bezig met het opsporen van (Joodse) onderduikers.

    Nadat Koos de eerste uren op zijn hurken op de gang moet zitten wordt hij overgebracht naar dezelfde kamer waar ook Hans de Jong vastgehouden wordt. Beide mannen moeten daar ook urenlang gehurkt blijven zitten. Hans de Jong schrikt van de arrestatie van één van zijn catechisanten. Koos vertelt aan de dominee dat hij ook bij het huis aan de Wolphaertsbocht is gearresteerd en zegt dat hij de Duitsers probeert wijs te maken dat hij voor catechisatie naar hem toe kwam. ’s Nachts wordt Hans de Jong voor de tweede maal door Hoffmann verhoord, waarbij het er hard aan toe gaat volgens Koos. Omdat het verhoor in de kamer ernaast plaatsvindt kan hij er het een en ander van horen. Hans, die waarschijnlijk wel beseft dat hij het er niet levend vanaf zal brengen, gaat flink tekeer. Hij slaat enkele malen met de vuist op tafel, waarbij hij emotioneel uitroept: “Je kunt me alleen maar in de hemel schieten”.

    Later wordt ook Koos door Hoffmann ondervraagd. Tijdens dat verhoor wordt Chris Cattel binnengebracht aan wie gevraagd wordt of hij Koos kent. Chris ontkent echter hem ooit gezien te hebben. Tussen de verhoren door moeten ze urenlang gehurkt op de grond blijven zitten, wat op zichzelf al een marteling is.

    Hans Hovius heeft tijdens zijn verhoor – naar waarheid – uitgelegd dat hij niet eerder actief is geweest in het verzet. Bij terugkomst in de cel zegt hij tegen Van Drimmelen dat de Duitsers hem hebben gefeliciteerd omdat hij niet heeft deelgenomen aan het illegale werk. Klaas van Drimmelen heeft tijdens het verhoor aangegeven dat hij naar ds. De Jong is gegaan voor een kerkelijke aangelegenheid.

    De Duitsers maken de balans op en voor hen is het duidelijk. De papieren van Chris Cattel kloppen niet en in zijn auto wordt een pistool gevonden. In de woning van de dominee zijn wapens gevonden en in het Charlois Volkshuis is een zak met zogenaamd kneedplastic gevonden, die is blijven liggen nadat alle wapens voor de inval nog waren weggehaald.[OHK1]

    Van Drimmelen wordt vrijgelaten en ook Koos de Jong – die zelfs zijn in beslag genomen spullen terugkrijgt – gaat vrijuit. Waarschijnlijk hoopt de SD via hem nog meer illegale werkers op het spoor te komen. Later die dag doen de Duitsers inderdaad een poging om hem weer te arresteren. Als hij merkt dat ze hem volgen weet hij echter in een flatgebouw een veilig heenkomen te vinden. Hoewel de Duitsers het gebouw omsingelen vinden ze hem niet. Na twee dagen geven ze hun poging op en kan Koos, die door de bewoners onder een planken vloer verborgen gehouden wordt, wegkomen.

    Uit het vervolg blijkt de onvoorstelbare wreedheid en genadeloosheid van de Duitse terreur. Ds. Hans de Jong, Willem van der Schee, Ab de Soet, Hans Hovius en Chris Cattel worden zonder vorm van proces veroordeeld tot de dood voor het vuurpeleton.

  • Droeve tijding

    Kort na thuiskomst uit de kerkdienst op zondagmorgen, 29 oktober 1944, tussen twaalf uur en half één, komt een rechercheur bij ds. Willemse aan de pastorie met de mededeling dat onder degenen, die zaterdag 28 oktober gefusilleerd zijn, zich ook een H. de Jong bevindt.

    Ds. Willemse daarover[WMS]:

    Hij vermoedde dat het mijn collega was. Wat hij vermoedde was voor mij zekerheid. Nooit zal ik dat moment vergeten! Heel mijn ziel was in beroering. Ik wist  dat het feit was en ik doorleefde het tegelijk als een bange droom: “Hans is niet meer in dit aardse leven“.  Toch, ik wilde voordat ik het anderen meedeelde, me zelf vergewissen dat het bittere waarheid was. Met een lid van de gemeente (R.W. Klein) ging ik naar Crooswijk waar het lichaam moest opgebaard zijn. Zonder veel moeite kregen we toegang en konden zelf zien. Hij lag daar, kalm en vredig, met een vastberaden trek om zijn mond. Slechts een schotwond bij zijn slaap herinnerde aan het geweld van de vijand. Naast hem, aan beide zijden, de vier, die met hem ter dood gebracht waren. Drie K.P.-ers en dan ook nog een broeder van de gemeente, die, hoewel onschuldig, toch gegrepen was en mèt ds. De Jong werd neergeschoten.

    Ontroerend, deze harde werker en onvermoeide strijder, zomaar uit het volle leven, dat hij zo intens beleefde, weggerukt. Naar de wens van zijn hart: “in het harnas gestorven”. Hij, die zo’n ontembare vrijheidsdrang in zijn leven kende, die soms de grens van het ongebondene bereikte, heeft de dag van de bevrijding van zijn vaderland, waarvoor hij zo hard gewerkt had, niet mogen beleven.

    Zondag in de namiddag wordt aan het einde van de kerkdienst in de Charloise kerken de volgende boodschap voorgelezen:

    Broeders en Zusters, wij zijn in de droeve noodzakelijkheid u een ontroerende mededeling te doen.

    Hedenmiddag is ons bericht, dat Ds. De Jong gisteravond om 5 uur door God in heerlijkheid is opgenomen. Voor hem een blijde verlossing, voor ons een zwaar verlies. De Here geve de zijnen en allen, die hem liefhadden, ja onze hele gemeente, de genade, om onder dit leed stil te zijn voor God.

    Op dit ogenblik, waarin onze gedachten zich zozeer vermenigvuldigen, ontbreken ons de juiste woorden maar laten we samen met het oog op de verlossing, die hem ten deel viel, zingen Psalm 73 vers 12.

    ‘k Zal dan gedurig bij U zijn,
    in al mijn noden, angst en pijn,
    U al mijn liefde waardig schatten
    wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
    Gij zult mij leiden door Uw raad,
    o God, mijn heil, mijn toeverlaat;
    en mij, hiertoe door U bereid,
    opnemen in Uw heerlijkheid’.

    Er gaat een golf van ontroering door de gemeente bij het horen van dit bericht en het zingen van dit lied. Op veel gemeenteleden maakt het diepe indruk die veel mensen zich altijd zullen blijven herinneren.

  • Begrafenis

    Op donderdag 2 november 1944 rijdt een vijftal rijtuigen vanuit Charlois in de richting van de begraafplaats Crooswijk. De inzittenden zijn eerst samengekomen voor een rouwdienst in de pastorie van Ds. J. Thomas aan de Boergoenschevliet.

    Na enig overleg is er n.l. door de Hollandse politie in toegestemd, dat de begrafenis van Hans de Jong in de eigen kring mag worden geregeld, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat  er een zeer gering aantal familieleden bij aanwezig mag zijn. Verder mag de plechtigheid op Crooswijk pas na sluitingstijd plaatsvinden. Daarom zijn er in de pastorie 5 familieleden van Hans – waarvan vier per fiets uit Friesland gekomen zijn – aanwezig, enkele bijzondere vrienden en kennissen en een vijftal ouderlingen.

    De rouwdienst wordt geleid door ds. Willemse. Hij leest uit de 90ste psalm en spreekt daarover. Deze toespraak is in 1946 toegevoegd aan het boek met een verzameling preken van ds. De Jong onder de titel ‘De Zwijgende God’. Dit moment van herdenken wordt afgesloten met het zingen van Psalm 27 vers 2.

    In zijn levensschets van Hans de Jong schrijft Willemse[WMS] later:

    Ik las en sprak over de 90ste psalm. We waren bedroefd en tegelijk vertroost. We zagen door het geloof de Heer, die voor Hans en voor ons en voor zijn kerk een toevlucht was geweest van geslacht tot geslacht. En we hoorden tegenover talloze vragen en moeilijkheden het Goddelijk antwoord: Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, ook mensen worden weggenomen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en Mijn vredesverbond niet wankelen.

    Ds. Willemse weet  te vertellen dat Hans de Jong graag hoorde spelen de Marche Funèbre van Guilmant. “Ze moesten die maar spelen op mijn graf”, heeft hij eens gezegd.

    Ingang Begraafplaats Crooswijk

    Bij het open graf wordt uit Romeinen 8 gelezen en een lied gezongen. Ook Arend de Jong, oudste broer van Hans, spreekt enkele woorden. Samen met Hans de Jong worden in hetzelfde graf op de begraafplaats Crooswijk ook Wim van der Schee, Hans Hovius, Ab de Soet en Chris Cattel begraven.

    Het maakt alles in de stilte van die winterse middag een diepe indruk. De najaarszon gaat bloedrood onder…

    Bloemen

  • Groep Albrecht

    De groep Albrecht is ontstaan op initiatief van het Nederlandse Bureau Inlichtingen in Londen en als spionagegroep actief vanaf voorjaar 1943 tot aan de bevrijding. Hans de Jong is nauw betrokken geweest bij de activiteiten van deze groep.

    Hendrik Geert de Jonge (Albrecht)

    Oprichter van de groep is Hendrik Geert de Jonge, een jonge beroepsofficier van het Nederlandse leger, opgeleid aan de KMA in Breda. Hoewel zijn keuze een andere is – hij hoopte op plaatsing bij de nieuwe luchtdoelartillerie – wordt hij door Defensie in het najaar van 1938 geplaatst als reserve-eerste luitenant bij het onderdeel kustartillerie in Hoek van Holland. Daar leert hij twee militairen kennen, die later beide deel zullen uitmaken van de Albrechtgroep. Het zijn de vaandrig C.C. van den Heuvel en de kornet Th.J.A.M. van Lier. Via de kerk in Hoek van Holland krijgt Henk de Jonge dan ook contact met ds. Hans de Jong en raakt met hem bevriend. Na de gevechtshandelingen in de eerste oorlogsdagen, die Henk de Jonge bij Hoek van Holland meemaakt, wordt hij gedemobiliseerd. Na ruim een jaar rechtenstudie aan de VU in Amsterdam vertrekt hij eind 1942 naar Engeland waar hij een zware beroepstraining volgt als geheim agent.

    In opdracht van de Nederlandse Inlichtingendienst in Londen wordt Henk de Jonge onder de codenaam Albrecht in de nacht van donderdag 11 op vrijdag 12 maart 1943 bij Hooghalen in de buurt van Assen gedropt. Die eerste nacht vindt hij onderdak in Assen op een afgesproken adres en bezoekt in dat weekend nog een contact in Dokkum. Van daaruit begint hij aan zijn opdracht. Maandag, 15 maart, vertrekt hij uit het noorden eerst naar Arnhem waar hij een van zijn eerste medewerkers ontmoet, die werkzaam is op vliegveld Deelen. Dan is zijn eerste zorg een geschikte plaats voor de zender te vinden. Via zijn vriend Cees van den Heuvel uit Voorburg leert hij Jo van Arkel kennen, bij wiens ouders in Nieuw Vennep de zender wordt ondergebracht. Dan begint Albrecht met het recruteren van een eerste 15-tal medewerkers.

    De eerste aanzet

    Hij zoekt de leden van de toekomstige groep vooral in de kring van zijn oude vrienden en relaties van de Vrije Universiteit in Amsterdam en de Gereformeerde studentenvereniging SSR. Ook heeft hij een voorkeur voor mensen met een militaire achtergrond. Zelf zegt hij hierover: “Ik werkte zodoende met geestverwanten, wier karakter mij bekend was”.
    Hij brengt alle kennis en vaardigheden, die hij in Londen heeft opgedaan, over op de nieuw in te werken groepsleden.

    De medewerkers van de Albrechtgroep moeten zich aan een aantal regels houden. Het is ten strengste verboden wapens te dragen of hulp te bieden aan onderduikers. Elk lid van de groep heeft slechts contact met twee of drie andere leden om de organisatie zo veilig mogelijk te maken i.v.m. eventuele arrestatie van één van hen. Het is binnen de groep gebruik elkaar met de voornaam of bijnaam aan te spreken.

    Er wordt op een zeer accurate wijze gewerkt aan de spionageopdracht, die tweeledig is. In de eerste plaats betreft dat het verzamelen van inlichtingen en plattegronden van o.a. vliegvelden, Duitse troepenconcentraties en -bewegingen, spoorlijnen en bunkers. Ten tweede het onderhouden van contacten met een tiental vooraanstaande politici van het z.g. Nationaal Comité. Van deze tweede opdracht is niets terechtgekomen.

    Hoewel niet inbegrepen bij zijn opdracht heeft Henk ook een persoonlijke drive: het voorbereiden van een invasie op de kust bij Hoek van Holland en in samenwerking met de Geallieerden het bevrijden van het bezette Nederland!

    Albrecht wil zich voor het uitvoeren van verkenningen in eerste instantie vooral richten op het gebied rond ’s Gravenhage tot en met Rozenburg en rond de steden Rotterdam en Utrecht. Verder een globale verkenning van de rest van Nederland.
    Hij kiest de medewerkers meestal zelf uit en instrueert hen ook persoonlijk. Hij wijkt daarmee bewust af van de in Engeland meegegeven veiligheidsregels.
    In eerste instantie geeft hij zelf de opdrachten en richtlijnen, haalt rapporten op, bezoekt zijn mensen en geeft ook kritiek. Daardoor ontstaat er geleidelijk een organisatie met medewerkers/verkenners onder de persoonlijke leiding van Albrecht.
    In de gekozen top is Albrecht de leider en Jo van Arkel (Jo) de tweede man.

    De werkwijze

    Naast Henk de Jonge (Albrecht) en Jo van Arkel (Jo) bestaat de top van de organisatie dan uit Theo van Lier (Theo) en Cees van den Heuvel (Victor).
    De werkverdeling is alsvolgt: Albrecht en Jo reizen de verschillende contacten af, Victor en Jo doen de administratie en Theo is rapporteur en ook stafverkenner.

    Het werken in een dergelijke spionagegroep eist veel van de medewerkers. Tenslotte zijn de omstandigheden bijzonder en moet de veiligheid van de groep altijd in het oog worden gehouden. Van de mensen wordt daarom volledige inzet gevraagd; iedereen is niet alleen voor zichzelf verantwoordelijk maar voor de hele groep.
    Ook is het belangrijk dat er snel en efficient wordt gewerkt, zonder dat de kwaliteit van de geleverde verkenningsrapporten daaronder lijdt.

    Uit het boek “Albrecht meldt zich”: “Ieder werd vóór alles gedreven door de plicht, zich geheel in te zetten voor de vrijmaking van Nederland. De top stond midden tussen de medewerkers, beginners niet uitgezonderd. Zo is het geweest vanaf het ontstaan tot aan de bevrijding.”

    Een ander citaat uit bovengenoemd boek:

    Het is moeilijk, aan buitenstaanders een indruk te geven van wat volledige inzet betekend heeft. Het wilde zeggen: al zijn tijd en kracht geven met opoffering van alle persoonlijke belangen en genoegens. Het betekende een ongeregeld leven, waarin men niet op gezette tijden at, dronk en sliep, maar slechts wanneer en zoals het werk het toeliet. Hier was geen sprake van een veertig-, maar van een honderd-urige werkweek, en dat voor sommigen gedurende twee jaren achtereen zonder vacantie. Voeg daarbij, dat dit alles moest gebeuren onder de druk van de bezetting, die steeds ondraaglijker werd, en men heeft een vaag beeld van de betekenis van ‘totale inzet’.

    Hoewel de top mobiel is en geen vaste werkplek heeft wordt ’s Gravenhage in eerste instantie het centrale punt van de Albrechtgroep. Daar worden alle verkregen inlichtingen verzameld en verwerkt. De top komt eind mei 1943 bijeen in Den Haag en/of Voorburg en Albrecht leert de anderen het verwerken van gegevens en het samenstellen van de rapporten.

    De berichten worden vertaald naar het Engels, gerangschikt, gedateerd, enz. Alles wordt daarna getypt en gefotografeerd. Zo ontstaat het uiteindelijke spionagemateriaal in de vorm van negatieven. Begin juni omvat de z.g. courier een aantal van 200 negatiefjes, die half juni is uitgedijd tot 250 stuks. Albrecht doet verschillende pogingen dit materiaal persoonlijk in Engeland te brengen maar elke poging loopt op een mislukking uit.

    De zender

    Een tweede probleem is, dat de door Albrecht uit Engeland meegenomen zender niet goed werkt. Elke week wordt geprobeerd vanuit de Haarlemmermeer contact te krijgen met een voor de kust opererend Engels vliegtuig of oorlogsschip maar, hoewel de Engelse partner duidelijk te verstaan is, is dat omgekeerd steeds niet het geval. Jo van Arkel doet nog meerdere pogingen om contact te maken o.a. vanuit Leiden (in de molen “De Herder”), de Bavinckschool in Den Haag, een huis in Scheveningen, maar alles tevergeefs. Op 19 september 1943 is er – na telegramwisseling – nog één poging gedaan om met de overzijde in contact te komen, maar zonder resultaat.

    molen De Herder

    Onder andere deze problemen zorgen ervoor dat Albrecht zich genoodzaakt ziet een nieuwe poging te wagen Engeland te bereiken. De verbinding met Engeland komt steeds moeizaam tot stand waardoor de contacten en het versturen van verzamelde gegevens vertraging oplopen. Ook is er bij Albrecht nog steeds de wens om een invasie uit te voeren op de Nederlandse kust. Hij wil dat in Engeland bespreken en daarvoor begrip kweken. Hij vindt het ook van belang zijn ervaringen te delen met andere agenten, die in Engeland in opleiding zijn.

    Ondertussen is in de loop van 1943 het aantal leden uitgebreid tot twintig en strekken de activiteiten van de Albrechtgroep zich uit van Twente via Utrecht tot aan de Zuid-Hollandse eilanden. In juni 1943 zijn er op acht plaatsen in Nederland verkenners gestationeerd. Een half jaar later is dat aantal al uitgebreid tot twaalf.

    Vanwege de veiligheid wordt er besloten niet langer bij elkaar te komen in particuliere huizen van familieleden of kennissen. Daarom wordt er in september ’43 door Jo een schijnadministratiekantoor ingericht in Leiden. De bedoeling is dan om dat “bureau” regelmatig te verplaatsen. Een mobiel kantoor zal door de Duitsers moeilijker op te sporen zijn.

    Jo van Arkel

    Als Albrecht uiteindelijk op 19 oktober vertrekt met de bedoeling Engeland te bereiken wordt Jo van Arkel zijn opvolger. De top wordt dan gevormd door Jo, Theo en Victor. Hoewel het eerst onduidelijk blijft hoe het Albrecht op zijn tocht vergaat wordt er wel gemeld dat hij in Toulouse is aangekomen. Het bewijs van zijn aankomst in Londen in de vorm van een afgesproken code laat op zich wachten. Toch gaat de leiding er van uit dat Albrecht veilig in Engeland is, niet wetend dat hij op 8 november aan de voet van de Pyreneeën is gearresteerd door de Gestapo. Niemand vermoedt welk drama zich ondertussen afspeelt in Frankrijk, waar de gevangengenomen Albrecht via Toulouse naar de gevangenis in Parijs is getransporteerd.

    Dat de risico’s voor de medewerkers van de Albrechtgroep groot zijn wordt pijnlijk duidelijk als op 22 november Jo, die net Albrecht is opgevolgd, wordt gearresteerd. Hij gaat met een vriend (schuilnaam Ab van Loo, medewerker van de KP) naar een afspraak in een café in Den Haag, waar ze alle twee worden gearresteerd. Er is verraad in het spel. Een papiertje in zijn portemonnaie wordt hem fataal. De catastrofe is dan compleet. Jo kan niet gemist worden. Door zijn rustig en zakelijk optreden en zijn doortastende en praktische manier van werken heeft hij veel voor de groep bereikt.

    De S.D. krijgt in de gaten dat ze een belangrijk persoon in handen hebben die gelinkt wordt aan Henk de Jonge. Ze houden ook huiszoeking bij zijn ouders en vinden de niet goed werkende zender.

    De gevolgen

    Om de gevolgen in kaart te brengen wordt er een bespreking georganiseerd in Utrecht. Er wordt afgesproken op de ingeslagen weg verder te gaan en vast te houden aan de idealen van Albrecht. De top bestaat voortaan uit Theo, Victor en Eduard (Cees Brouwer), waarbij Theo de leiding op zich neemt. Eduard is in maart ’43 met Albrecht in contact gekomen en doet inlichtingenwerk in de omgeving van Dordrecht.

    Op 23 december ’43 blijkt pas dat Albrecht in Zuid-Frankrijk is gearresteerd.

    Albrecht is in de nacht van 16 op 17 november vanuit Parijs naar de gevangenis in Haaren getransporteerd. Hij wordt daar dagelijks onderworpen aan verhoor, dat tot 8 december zal duren. Diezelfde dag ontdekt hij dat Jo is gearresteerd en in Scheveningen gevangen zit. Twee dagen later wordt ook hij overgebracht naar Haaren en onderworpen aan langdurige verhoren.

    Ondertussen hebben de leden van de Albrechtgroep alle aan Jo gelinkte adressen ontruimd. Ook wordt het adres in Leiden verlaten en wordt Rotterdam het centrale punt.
    Het wordt ook steeds riskanter om lang eenzelfde adres aan te houden. Daarom wordt er met enige regelmaat weer een ander adres gekozen. Verder is er een systeem van gescheiden privé-, administratie- en contactadressen. Ook lopen er afzonderlijke lijnen voor verkenning, verbindingen en intendance.
    In dit kader is het goed om te vermelden, dat ook in de pastorie van ds. De Jong geregeld wordt vergaderd in die periode. Korte tijd heeft daar ook een zender gestaan.

    Zo weinig mogelijk contact met andere (verzets)groepen is een belangrijke richtlijn terwijl de onderlinge contacten zeer beperkt blijven. Al deze maatregelen zorgen ervoor dat de kans op ontdekking sterk vermindert.

    Theo van Lier

    Theo van LierNa alle tegenslagen in de herfst van 1943 gaat de Albrechtgroep onder leiding van Theo van Lier het jaar 1944 in, met de vaste wil het werk van Albrecht voort te zetten.
    Om nieuwe problemen te voorkomen wordt het aantal verkenners uitgebreid en worden er vaste medewerkers gezocht voor niet al te grote gebieden.
    Ook worden er nieuwe verbindingen met Engeland georganiseerd om het verzenden van het spionagemateriaal eenvoudiger te maken.
    Dat resulteert in twee nieuwe verbindingen. Er kan materiaal meegegeven worden aan iemand die regelmatig naar Zwitserland gaat en een tweede stroom gegevens kan via de berichtenweg van Vrij Nederland.

    Al vanaf januari is Theo van plan naar Engeland te gaan. Hij voelt zich genoodzaakt het contact met Engeland te verbeteren en persoonlijk te rapporteren. De eerste twee pogingen in februari en maart stranden.

    Als in april ’44 er een nieuwe poging wordt ondernomen hebben ook de K.P.-ers daarvoor interesse. Er is in het voorjaar van 1944 een “vriendschapsverbond” gesloten tussen Albrechtgroep en K.P. De knokploegen hebben zich steeds beter georganiseerd maar ontvangen geen of weinig steun vanuit Engeland. Daarom wordt bij de volgende poging om per boot Engeland te bereiken ook een plaats ingeruimd voor één vertegenwoordiger van de K.P. Uiteindelijk zal Theo zelf de belangen van de K.P. in Engeland bepleiten omdat de K.P. op het laatste moment geen topfiguur voor de reis kan vrijmaken. Deze derde poging verloopt jammerlijk waardoor ook Theo als leider aan de groep ontvalt (zie Engelandvaarders). Opnieuw wordt er een dure prijs betaald om het contact met Engeland te verbeteren.

    Eduard

    Als opvolger van Theo wordt dan Eduard aangewezen, waarbij Victor de tweede man is. Zo is de top versmald. Eduard moet het geregeld contact met medewerkers en andere relaties, dat hij eerder samen met Theo deed, nu alleen doen. Victor is belast met de administratie en het voorbereiden van de kopij voor de fotografie. Wel komt er verlichting van die taak omdat in mei ’44 de eerste koeriersters bij de groep komen. Zij nemen de anderen veel werk uit handen en de verbindindingen worden frequenter onderhouden. Een voordeel is dat ze ook vaak veiliger door de treincontroles komen dan de mannelijke medewerkers.

    Koeriersters

    Zo wordt de Albrechtgroep in de zomer van 1944 steeds verder uitgebreid en zijn er vaste koerierslijnen, waarlangs de koeriersters vaak dagelijks reizen. De enige kennis die zij hebben is het contactadres, wat hen is gegeven. De aard en inhoud van het werk zijn hen onbekend evenals de identiteit van andere groepsleden.

    Om een indruk te geven volgt hier een weergave van de activiteiten op een willekeurige dag in augustus 1944, zoals weergegeven in het boek “Albrecht meldt zich”.

    Het was vaste gewoonte, dat elke middag tegen 18 uur de post voor de radiozender Rotterdam verliet. Deze post, die voornamelijk spoedberichten van militaire aard bevatte, kwam nog dezelfde avond bij de marconisten in de Brabantsche Biesbosch aan, waar – dankzij een uitstekend contact met Engeland – voor vlotte doorzending werd zorggedragen. Het verbindingennet met Rotterdam als middelpunt was nu zo opgezet, dat alle post uiterlijk om 17.30 uur binnen moest zijn. Dan vond een snelle schifting plaats van de copy, die voor de fotografie bestemd was, en de spoedberichten, die naar de zender gebracht werden. In de regel werd aan dit tijdschema goed voldaan. De koerierster uit Amsterdam kwam nooit over tijd. Pasklaar voor de fotografie bevatte haar copy, die werd vervoerd over het traject met de talrijkste S.D.-controles, de pas binnengekomen gegevens uit geheel Noord-Holland. Alles, wat om 12 uur te Amsterdam was, werd hierin verwerkt, waarbij dus ochtendmeldingen uit Den Helder over binnengelopen of uitgevaren Duitse convooien konden zijn.

    De post van Adriaan, die omstreeks 12 uur uit Zwolle ging, was vaak op het nippertje, daar er niet zelden vertraging was op dit lange traject, doelwit van veel treinbeschietingen. De Zwolle-copy bevatte enkele ochtendmeldingen, maar over het algemeen nieuws van de vorige dag uit het Oosten en Noorden des lands. Een speciale koerierster arriveerde uit Utrecht, waar de post van Midden-Nederland werd geredigeerd. Het was beter een aparte dienst hiervoor in te lassen, dan de koerierster in Utrecht een half uur oponthoud te bezorgen, waardoor ze de kans liep in Rotterdam de aansluiting op de zender te missen. Ook de medewerkers uit de omgeving van het centrum wisten, hoe laat hun melding ter plaatse moest zijn om snel behandeld te kunnen worden. Om 18 uur was de drukte op het centrale contactadres afgelopen. De koerierster voor de zender was naar Brabant gegaan en zou pas om 23 uur terugkeren, ook op haar terugreis beladen met materiaal, namelijk de stof voor de fotografie uit het gebied van Frans en ingekomen telegrammen uit Engeland.
    De koeriersters uit Amsterdam, Utrecht en Zwolle reisden terug naar hun haardsteden, allen voorzien van een brief voor hun chef, waarin organisatorische aanwijzingen, critiek op het geleverde werk, en nieuws over het wel en wee van de groep. Na 18 uur draaide de centrale administratie op volle toeren.

    Het ingekomen materiaal werd geordend, voorzover nodig getypt, en – als het de daarvoor bestemde dag was – diezelfde nacht gefotografeerd. De volgende ochtend vroeg bracht een koerierster het filmrolletje naar de plaats van verzending.

    Organisatieschema

    Op verschillende momenten is er in oorlogstijd een overzicht gemaakt van de omvang van het spionagewerk door de Albrechtgroep in Nederland. In de volgende afbeelding is een overzicht weergegeven uit augustus 1944 met:

    * links een organisatieschema met de namen van de verantwoordelijke personen
    * rechts de verspreiding van de activiteiten over Nederland.

    Verbindingen

    In september ’44 ontstaan er problemen met de verbindingen doordat de treinenloop onregelmatiger wordt en de treinbeschietingen toenemen. De spoorwegstaking maakt een eind aan het koerieren per trein. De koeriersters worden daardoor gedwongen dezelfde trajekten per fiets af te leggen, met dezelfde intensiteit als in de zomer. De eerste fietsverbinding is de lijn Rotterdam – Land van Altena – Brabant. Deze route vormt de hoofdader van de verbindingen maar is bijzonder lastig omdat daarbij vier rivieren moeten worden gepasseerd. Vooral de oversteek van de Bergsche Maas, de brug aan het Keizersveer, is vanwege de intensieve controles een moeilijk te nemen hindernis. Daarvoor worden dan alternatieven gezocht in de vorm van een clandestien “roeibootveer”.

    Al in het voorjaar van 1944 zijn er besprekingen gevoerd door leden van de Albrechtgroep met de Provinciale Noord-Brabantse Electriciteits-Maatschappij (P.N.E.M.) op initiatief van de hiervoor genoemde Frans (Wim van der Mast). De P.N.E.M. heeft een eigen telefoonnet, dat zich over heel Noord-Brabant uitstrekt. Dit telefoonnet wordt ter beschikking gesteld aan de Albrechtgroep. Dit net, het Bijzonder Apparaat (B.A.) genoemd om het woord telefoon niet te hoeven gebruiken, krijgt een vast punt waar de medewerkers telefonisch contact mee kunnen maken. Vanaf september wordt dit B.A. bijzonder belangrijk. Het eerste contact met de oprukkende Geallieerden wordt gelegd als er een verbinding tot stand komt met de Amerikaanse Inlichtingendienst in Maastricht. Deze verbinding heeft in oktober en november ’44 een zeer goede dienst bewezen wat veel slachtoffers onder de geallieerden voorkomen heeft. Toch is het na 18 november niet mogelijk dit B.A. nog langer te gebruiken. Hoe goed de crossline ook functioneert, de zender blijft dan toch het snelste communicatiemiddel.

    Crossings en droppings

    Vanaf begin november, als Brabant bevrijd gebied is, worden de contacten tussen het bezette noorden en het vrije zuiden door de Albrechtgroep, naast het gebruik van de zender, vooral onderhouden door koeriersdiensten en de zogenaamde crossings in de Biesbosch. Deze zijn van groot belang geweest voor de verbindingen. In de verslagen wordt een totaal van 374 crossings geteld, die vooral plaats vinden in de donkere uren van de nacht. Daarbij moet worden opgemerkt dat de risico’s groot zijn geweest. Dit werk van de Albrechtgroep heeft ook aan verschillende medewerkers het leven gekost.

    Een herinnering aan alle activiteiten van de Albrechtgroep in de Biesbosch is het “Crossline” monument, dat in Sliedrecht op het Albrechtplein te vinden is. Het is gemaakt door de kunstenaar Hans Bayens en in 1966 onthuld door Prins Bernhard.

    Crossline monument

    Ter herinnering

    Behalve de crossings zijn er door de Albrechtgroep in samenwerking met de K.P. en N.B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten) in het voorjaar van 1945 een aantal droppings uitgevoerd. Daarbij gaat het vooral om goederen waar een schreeuwend tekort aan is. Zo bezorgen de parachutes o.a. radiosets, fietsbanden, telefonie-zenders, kleding, voedsel en medicijnen. Daarbij zijn de fietsbanden het meest gewaardeerde artikel.

    Tenslotte

    Al vanaf het voorjaar van 1943 is een eerste begin gemaakt met verkenningen en rapporteren over de Duitse troepenstructuur en de Duitse stellingen van de Wehrmacht. In september ’43 is de militaire situatie door de Albrechtgroep al behoorlijk in kaart gebracht. Om de militaire onderdelen in de verschillende gebieden te identificeren worden militaire gegevens op allerlei verschillende manieren verkregen. Een beproefde methode blijkt het verzamelen van gegevens van de grafkruisen op de soldatenbegraafplaatsen die naar de verschillende onderdelen leiden. Ook vindt men een regelmaat in de nummering van de Duitse Dienststellen. Lukt het om van een bepaald gebied een lijst van veldpostnummers te krijgen, dan kan men daaruit de spreiding van alle bataljons en commandoposten afleiden. Verder worden er veel gegevens verkregen via nutsbedrijven, ziekenhuizen, gemeentehuizen, enz.

    In de loop van 1944 wordt die kennis steeds verder uitgebreid. Zeer belangrijk wordt dit inlichtingenwerk vanaf september ’44 in verband met de komende opmars van de Geallieerden vanuit het zuiden. Niet alleen bij de bevrijding van de zuidelijke provincies maar ook bij de snelle opmars van de Geallieerden in het voorjaar van 1945 is het inlichtingenwerk van de Albrechtgroep van wezenlijk belang geweest. Pas op de dag dat de bevrijders binnentrekken in de woonplaatsen van de medewerkers, kunnen ze dat werk, waarvoor ze zich met hart en ziel ruim twee jaar lang hebben ingezet, neerleggen.

    Overzicht geleverd materiaal

    Met de bevrijding van het nog bezette gebied komt een eind aan de oorlog, die ons land 5 jaar in zijn greep heeft gehouden. De bijna onmogelijke opdracht van Hendrik Geert de Jonge heeft in de laatste twee oorlogsjaren geleid tot een zeer effectief werkende spionagegroep, Albrecht H.G. genaamd. H.G. refereert aan de initialen van Albrecht maar is ook de afkorting van Hollands Glorie. De vele vrijwilligers, die zich daarvoor hebben ingezet, hebben onder zeer moeilijke en vaak gevaarlijke omstandigheden onvoorstelbaar veel werk verzet. Daarbij zijn ook slachtoffers te betreuren, waarvan een vijtiental herdacht worden in het boek “Albrecht meldt zich”.

    De gevangengenomen leiders hebben de oorlog overleefd. Henk de Jonge, Jo van Arkel en Theo van Lier worden alle drie door de Amerikanen bevrijd uit gevangenschap in Duitsland.

    Na de oorlog

    Na de oorlog wordt er een reünie gehouden voor de leden van de Albrechtgroep, waarbij de meeste leden elkaar voor het eerst ontmoeten. Het is een wonderlijke reünie van mensen die afzonderlijk van elkaar in moeilijke oorlogsomstandigheden met dezelfde opdracht bezig zijn geweest. De meeste medewerkers zien Albrecht en anderen daar voor het eerst. Tijdens die bijeenkomst wordt aan alle leden een genummerd exemplaar van het boek over de groep Albrecht met de titel “Albrecht meldt zich” uitgereikt, voorzien van de handtekening van Albrecht (Hendrik Geert de Jonge) en Eduard (Cees Brouwer). Hierbij afgedrukt als voorbeeld de voorkant met het logo en het binnenblad van het boek dat toen bij de reünie is uitgereikt aan Jo van Arkel. Dit exemplaar is in het bezit van een van zijn kinderen.

    Binnenblad exemplaar Jo van Arkel
    De afwikkeling en beëindiging van de Albrechtgroep wordt verzorgd door het Bureau Nationale Veiligheid, een Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdienst, opgericht op 29 mei 1945. Deze organisatie valt in eerste instantie onder het Militair Gezag en komt vanaf maart 1946 onder verantwoordelijkheid van Binnenlandse Zaken. Vanaf 1947 worden de activiteiten van het Bureau voortgezet door de Centrale Veiligheidsdienst, voorloper van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD).

    Administratief – en zeker ook financieel – moet er dan nog veel werk worden verzet om gemaakte kosten, opgelopen schade, etc., door leden van de Albrechtgroep in kaart te brengen en af te handelen. Deze afwikkeling wordt uitgevoerd door Jo van Arkel en Cees van den Heuvel, beide na de bevrijding in dienst van het Bureau Nationale Veiligheid.

    Bronnen:
    • Albrecht meldt zich
      N.V. Gebr. Zomer & Keuning’s Wageningen
    • Levenstriomf
      H.G. de Jonge 1990, Printing Products Hoogblokland
    • En verpletterd wordt het juk
      Verzet in Nederland 1940 – 1945
      Dr. C.M. Schulten 1995, Sdu Uitgeverij Koninginnegracht Den Haag
  • LO

    Eén van de belangrijkste initiators van de LO, die de hulp aan onderduikers op zich neemt, is Frits Slomp. Ds. Slomp, later bekend onder zijn schuilnaam Frits de Zwerver, is in de oorlog Gereformeerd predikant in het Overijsselse Heemse. Evenals ds. Hans de Jong is hij radicaal in het afwijzen van het nationaalsocialisme en laat zich niet weerhouden dit vanaf de kansel te verkondigen. Daardoor loopt hij groot gevaar en weet ternauwernood aan arrestatie te ontkomen; hij moet dan onderduiken. Als de Anti-Revolutionaire Partij wordt verboden werkt ds. Slomp mee aan bijeenkomsten van de illegale AR en treedt daarbij op als inleider. Ook houdt hij inleidingen voor de dan al verboden Gereformeerde jongerenorganisaties.

    Zo komt hij in contact met mevrouw Kuipers-Rietberg uit Winterswijk, die bestuurslid is van de Bond van Gereformeerde Vrouwenverenigingen. Zij is dan al actief in het verzetswerk als “Tante Riek”. Zij is ervan overtuigd er een landelijke organisatie moet komen voor hulp aan onderduikers. Grote groepen jongeren dreigen te worden opgeroepen voor de Arbeidsdienst en lopen daardoor het risico geïndoctrineerd te raken door het nationaalsocialisme. Zij is het die ds. Slomp ervan weet te overtuigen dat hij daarvoor de aangewezen persoon is.

    Op 25 november 1942 wordt dan in Driebergen door ds. Slomp en de onderwijzer J. van Manen de eerste afdeling opgericht van wat de LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers) zal worden. Ds. Slomp reist daarvoor het hele land door om plaatselijk commissies op te richten. Deze commissies verzamelen namen van onderduikers in hun regio, welke dan op een adressenbeurs in de consistorie van de Gereformeerde Zuiderkerk in Zwolle worden uitgewisseld.

    Hans de Jong, die ook betrokken is bij de illegale ARP, nodigt Frits Slomp uit ook in Rotterdam te komen spreken. Deze komt dan op een vergadering van de illegale AR zijn ideeën uiteenzetten. Dit mondt uit in de oprichting van een LO-afdeling in Rotterdam, bij aanvang onder leiding van de boekhandelaar H.W. Blok. Deze afdeling, die voornamelijk uit gereformeerden bestaat, probeert mensen ervan te weerhouden zich aan te melden voor de Arbeidsdienst om in Duitsland tewerkgesteld te worden en zorgt voor onderduikadressen. Daardoor raakt ook ds. De Jong steeds meer betrokken bij dit illegale werk. De Rotterdamse afdeling zal onder leiding van Blok uitgroeien tot een district dat ook veel omliggende gemeenten omvat.

    Omdat het aantal onderduikers steeds toeneemt, wordt de behoefte aan persoonsbewijzen – eerst vaak verkregen via een ‘goede’ gemeenteambtenaar – en o.a. bonkaarten, kleding en geld steeds groter. De problemen, waar de LO mee kampt, zullen begin 1944 leiden tot de oprichting van de KP in Rotterdam.