Blog

  • Schietbaan Kralingen

    Schietbaan Kralingen

    In de woelige herfst van 1944 zijn na Dolle Dinsdag op de schietbaan Kralingen in Rotterdam 38 Nederlanders gefusilleerd. Al deze fusillades vinden plaats in de periode van 21 september tot en met 24 december 1944.

    Als reden voor een executie wordt in de politierapporten vermeld:
    Medewerker van het verzet, medewerker of verspreider van het illegale dagblad Trouw, lid van de L.O. of de K.P., crosser of bijvoorbeeld wapenbezit. Dit geldt voor 31 van de 38 slachtoffers.

    De overige 7 zijn ook op de schietbaan omgekomen, echter als bestraffing voor een overval of een vermogensdelict.

    De schietbaan van de Koninklijke Scherpschutters-Vereniging “Rotterdam” is tegenwoordig nog op dezelfde plaats gevestigd vlak langs de A16, aan de Lucie Vuylstekeweg. Op het terrein staat het “nieuwe” schietcomplex, dat in 1992 is geopend, nadat het oude complex moest wijken voor de baanverdubbeling van de snelweg.

    Plaquette

    Op de muur van een klein gebouw op het terrein, waarachter de oorspronkelijke open lucht schietbaan is gesitueerd, is een plaquette te vinden die de herinnering levend houdt aan wat zich hier in de laatste maanden van 1944 heeft afgespeeld.
    Op de bronzen plaquette staat de volgende tekst:

    VOOR HEN DIE VIELEN
    1940 – 1945
    Tijdens de oorlogshandelingen van mei 1940 sneuvelde in dit gebouw een Nederlandse militair en in de periode van 21 september 1944 tot en met 24 december 1944 werden op deze schietbanen 38 Nederlanders door de bezettende macht gefusilleerd.

    Plaquette Schietbaan
    Dit monument is onthuld in 1946.

    De vijf mannen, waaronder Ds. De Jong, die op 28 oktober 1944 op deze plaats zijn gefusilleerd, zijn daarna opgebaard in het drenkelingenhuisje op de begraafplaats Crooswijk. Dit drenkelingenhuisje bevond zich bij de westelijke ingang van de begraafplaats aan de de Crooswijksebocht. Daar zijn naast de poort het huis van de beheerder en het baarhuisje nog altijd te vinden. De beheerder destijds heeft o.a. de collega van Ds. De Jong tot het drenkelingenhuisje toegelaten voor identificatie.

  • Burgwerd

    Hantje de Jong (roepnaam Hans) is geboren op 11 maart 1906 te Burgwerd (Friesland) in de gemeente Wonseradeel als zoon van Tjeerd de Jong en Aagje Feitsma. In het gezin van de familie De Jong worden tien kinderen geboren, 9 jongens en 1 meisje. Eén zoon, die al de naam Hantje droeg (geboren in 1905), is na tien maanden overleden.

    Geboortehuis Burgwerd

    Vader Tjeerd de Jong is veehouder. De boerderij staat midden in de Friese Greidhoek in het buurtschap Hemert bij Burgwerd en onder de rook van Bolsward. Al vanaf de 19e eeuw wordt deze boerderij gepacht door de familie De Jong. De eerste pachter is Foppe Piers de Jong, de overgrootvader van Hans, die in 1807 met zijn gezin de boerderij betrekt. Tjeerd Arends de Jong neemt het bedrijf over in 1901 van zijn vader Arend Foppes de Jong, die ruim 87 jaar op de “Himert” heeft doorgebracht.

    In 1957 wordt er op de boerderij een bijzonder jubileum gevierd. De familie De Jong is dan 150 jaar aaneengesloten pachter. Daarbij is ook de eigenaresse van de boerderij, mevrouw De Beaufort – van Sminia, persoonlijk aanwezig. Het in die tijd verschijnende weekblad “De Spiegel” wijdt er dan een reportage aan.

  • Gymnasium

    Na korte tijd de M.U.L.O. in Bolsward te hebben bezocht maakt Hans de Jong de overstap naar het gymnasium. Op dat moment, september 1920, is er in Leeuwarden nog geen gymnasium. Hans moet daarvoor dan naar Groningen. Al in 1909 is in Groningen een gymnasium van Protestants-Christelijke signatuur opgericht: Het Willem Lodewijk Gymnasium. In dat jaar worden ook de eerste leerlingen ingeschreven. De lessen worden gegeven in een gebouw aan de Oosterstraat, een zijstraat van het Martiniplein. Hans komt op die school in de eerste klas en verhuist naar Groningen. Zijn kostadres in Groningen is vanaf 6 september 1920 Heereweg 13, waar hij boven bakkerij Drewes woont.

    In een krantenbericht van de Leeuwarder Courant op 12 juli 1920 staat vermeld, dat “voor de 1ste klasse van het Willem Lodewijk gymnasium te Groningen is geslaagd H. de Jong te Burgwerd”. Aannemelijk is dat dit het resultaat is van een toelatingsexamen.

    In het gebouw van het Willem Lodewijk Gymnasium, aan de Verzetsstrijderslaan 220 in Groningen, is op 5 mei 1946 een gedenksteen in de vorm van een muurschildering onthuld. Op deze gedenksteen staan de namen van 19 oud-leerlingen, die in de oorlog zijn omgekomen. Daarop ontbreekt de naam van Hantje de Jong.

    Leeuwarden

    Op 15-jarige leeftijd gaat hij naar het dan net opgerichte Gereformeerd Gymnasium in Leeuwarden. Dit gymnasium start op 1 september 1921 met 2 klassen. Het is sinds de oprichting, nu bijna 100 jaar later, nog altijd gehuisvest in het gebouw aan de Gymnasiumstraat in Huizum. In 1996 is de naam van de school gewijzigd in Christelijk Gymnasium Beyers Naudé. De foto hieronder toont de hoofdingang van het gymnasium. In de hal van de school aan weerszijden van de hoofdingang zijn twee muurschilderingen aangebracht. Zie Monumenten.

    Op het gymnasium in Leeuwarden komt Hans bij aanvang van het cursusjaar 1921/1922 in de tweede klas. Hij neemt zijn intrek bij oom en tante Sybrandy in Leeuwarden in de Claes Bokkes Balkstraat. Tante Fokeltje Sybrandy is een zus van zijn moeder Aagje Feitsma. Het kostgeld bedraagt 𝑓 55,- per maand.

    Als aankomend student heeft Hans nog niet veel te besteden: 
    Ongeveer eenmaal per maand gaat hij naar zijn ouders in Burgwerd. Daarvoor reist hij dan met de autobus, hoewel hij de afstand (30 km) ook regelmatig per fiets doet. ’s Zondags bezoekt hij, als hij niet naar Burgwerd gaat, de kerkdiensten in de Leeuwarder Koepelkerk, ’s morgens om 10 uur en ’s middags om 5 uur. Hij is een trouwe kerkganger en gaat vaak samen met een van zijn klasgenoten Douwe Buwalda of Jan Mulder. In het weekend maar ook doordeweeks gaat hij regelmatig op bezoek bij een van z’n vrienden c.q. klasgenoten of op familiebezoek. Verder is hij lid van de Jongelingsvereeniging, die wekelijks bijeenkomt.

    Burgwerd

    In de vakanties is hij meestal te vinden op de ouderlijke boerderij in Burgwerd. Hans is een echte natuurliefhebber. Geen wonder als je zoals hij opgroeit op de boerderij. De boerderij ligt in een buurtschap (Hemert) midden in het weidegebied van Friesland tussen Bolsward en Harlingen. Rondom de boerderij kijk je zo ver je oog het toelaat in de zomer over de groene en bloeiende vlakte met grazende koeien en schapen, in de winter de lege kale weilanden met soms de bevroren vaarten en in de verte de kerktorens van de naburige dorpen afgetekend tegen de heldere lucht. Bij nacht langs de horizon in noordelijke richting de oplichtende vuurtorens van de Waddeneilanden.

    In het voorjaar is Hans, wanneer hij thuis is, vaak in de weilanden te vinden. Hij is een fervent eierzoeker. Vaak trekt hij er dan met een van zijn jongere broers op uit en meestal levert dat een aantal kievitseieren op of het ei van een tureluur. Is hij in Leeuwarden, dan loopt hij geregeld langs de poelier om te kijken hoeveel kievitseieren er (al) worden aangeboden. Voor Hans is dat een peiling van de vordering van het voorjaar. Uit een aantekening van hem op 1 April 1924: “Bij poelier De Jong lagen 27 kievitseieren, wel een bewijs dat de lente nog niet vlug komt.” Hij is in zijn element als er ijs in de vaarten ligt maar ook als de voorjaarszon steeds sterker wordt en de naderende zomer aankondigt.

    Gymnasiasten-leven

    De resultaten van de studie op het gymnasium zijn wisselend. De tweede klas wordt met een goed resultaat afgesloten en Hans wordt bevorderd naar klas III. Het is echter wel een voorwaardelijke bevordering. Struikelblokken zijn de oude talen Grieks en Latijn. Uiteindelijk wordt hij hij niet bevorderd naar klas IV. Daarna gaat het met de studie bergopwaarts.

    Tijdens de gymnasiumjaren ontwikkelt zich ook zijn culturele belangstelling, vooral op muzikaal gebied. Concerten die hij o.a. bezoekt, als hij in de derde klas zit:

    • Uitvoering van het Oratorium “Das Lied von der Glocke” in de Harmonie door Euphonia o.l.v. dirigent R. Beintema.
    • Het 3e abonnementsconcert in de Harmonie met de Hongaarse violist J. Szigeti.
    • Concert van de Muziekveereniging Lijempf te Leeuwarden op Hemelvaartsdag 1924 in de Prinsentuin.
    • Orgelconcerten.

    Verder is hij geabonneerd op een serie winterlezingen, waar maatschappelijke, politieke en theologische onderwerpen worden behandeld.

    Hans staat in 1924 ook aan de wieg van de Christelijke Gymnasiastenclub  “Meden  agan”, d.w.z. “niets teveel”. Hij maakt hiervan melding in zijn dagboek, zie foto hieronder. Vanaf de oprichting is Hans lid van het bestuur.

    In juni 1927 slaagt Hans voor zijn eindexamen Gymnasium B. Van de 12 kandidaten slagen er 9 voor Gymnasium A, 2 voor Gymnasium B, terwijl er 1 kandidaat wordt afgewezen. De vermelding in de Leeuwarder Courant is van 29 Juni 1927.

    Wommels

    In diezelfde zomer van 1927 is de familie De Jong op 19 mei verhuisd van Burgwerd naar het 5 kilometer verderop gelegen Wommels. Vader Tjeerd de Jong heeft daar op 1 april 1926 een boerderij gekocht aan de Bolswarderweg 144. Op het moment van verhuizen zijn de twee oudste zoons, Arend en Ruurd, al getrouwd en wonen niet meer bij hun ouders. De opvolgende broers Foppe en Jelle blijven in Burgwerd achter en nemen de pachtboerderij van hun vader over. De jongste vijf kinderen (Hans, Gerbrig, Siebren, Trienus en Piet) verhuizen met hun ouders mee naar Wommels. Van die vijf is Hans dan de oudste (21 jaar) en Piet de jongste (10 jaar). Vanuit Wommels vertrekt Hans na de zomervakantie naar Amsterdam, waar hij zich inschrijft aan de VU als student Theologie.

  • De VU

    Het eerste studiejaar

    Op 29 september 1927 verhuist Hans de Jong op 21-jarige leeftijd naar Amsterdam om aan de VU te gaan studeren. Zijn (eerste) nieuwe adres in de hoofdstad is aan het Frederik Hendrikplantsoen, net buiten de grachtengordel. Hij komt daar “in de kost” bij de familie Saager.
    Op 22 oktober 1927 zet hij zijn eerste handtekening in het “Album Discipulorum in Academia Libera Reformata” en is daarmee ingeschreven als student aan de VU onder nummer 1286.

    Inschrijving

    De Rector Magnificus op het moment van inschrijving is professor A.A. van Schelven. Ieder jaar opnieuw wordt deze handeling herhaald onder betaling van 20 gulden.

    Vondelstraat

    Hans blijft ongeveer een jaar bij de familie Saager en verhuist op 20 november 1928 naar de Vondelstraat 168, waar hij zijn intrek neemt bij de familie De Graaf. De hoofdbewoner van de woning is dominee S.G. de Graaf, gereformeerd predikant in Amsterdam.

    Ds. Simon Gerrit de Graaf (1889-1955)

    Ds. Simon Gerrit de Graaf is geboren op 23 mei 1889 in Leiden.
    Hij is getrouwd met Hermina van Mantgum.

    Zijn kandidaatsexamen doet hij in 1912 en hij is predikant van de Gereformeerde Kerk in achtereenvolgens Oosterzee (1913), St. Pancras (1917), Rijswijk (1919) en vanaf 1923 in Amsterdam.

    Van zijn hand verschijnt in de dertiger jaren de bekend geworden tweedelige serie ‘Verbondsgeschiedenis’, schetsen voor de vertelling van de bijbelse geschiedenis. Ook zijn veel van zijn preken gebundeld, gehouden in de twintiger en dertiger jaren.
    Voor studenten c.q. aanstaande predikanten zijn de preken van ds. De Graaf van grote waarde geweest.

    De Graaf is in de dertiger jaren samen met twee hoogleraren van de Vrije Universiteit, H. Dooyeweerd (1895-1977) en D.H.Th. Vollenhove (1893-1978) en met A. Janse (1890-1960) en K. Schilder (1890-1952) een van de mensen van de zogenaamde reformatorische beweging. Deze beweging hecht groot belang aan het zogenaamde Schriftonderzoek en legt de grondslag voor beoefening van een Christelijke Wijsbegeerte. Ds. De Graaf is daarbij een van de initiatiefnemers en bestuurslid van de op 14 december 1935 opgerichte Vereeniging voor Calvinistische Wijsbegeerte.

    Op 6 januari 1935 bevestigt ds. De Graaf Hans de Jong als gereformeerd predikant in zijn eerste gemeente Hoek van Holland.

    De oorlogsjaren hebben in het leven van ds. De Graaf ook hun sporen nagelaten. Zo is hij natuurlijk geconfronteerd met het verlies van Hans de Jong in oktober 1944. Ook een van zijn naaste collega’s, de 68-jarige ds. Taeke Ferwerda wordt door de Duitsers omgebracht. Ferwerda is niet alleen een collega maar ook de naaste buurman van De Graaf in de Vondelstraat. Hij is predikant van de Keizersgrachtkerk en ook curator van de VU. Dominee Ferwerda wordt in de nacht van 12 september 1944 samen met koster Siebren van der Baan in de Kerkstraat, vlak achter de Keizersgrachtkerk, gefusilleerd nadat er wapens in de kerk zijn gevonden. Van der Baan is een belangrijk verzetsman van de Trouw-groep en de LO-KP. Hij heeft wapens in de kerk verborgen. Een plaquette bij de ingang van de kerk aan de Keizersgracht herinnert aan deze afschuwelijke gebeurtenis, evenals een gedenksteen in de Kerkstraat op de plaats van de executie.

    Daarnaast is er in die jaren het conflict in de Gereformeerde Kerken rond de kwestie Schilder. Dit leidt in maart 1944 tot de schorsing van professor K. Schilder met als triest gevolg de scheuring in de Gereformeerde Kerken. Ds. De Graaf is zeer nauw bij dit proces betrokken geweest en hij heeft samen met anderen, ook na de oorlog, nog pogingen gedaan de banden met de Vrijgemaakte Kerk te herstellen.

    In september 1950 gaat hij met emeritaat. Hij overlijdt op 22 december 1955 in Amsterdam en is daar begraven op Zorgvliet.

    Hans blijft bijna drie jaar bij de familie De Graaf inwonen. In die periode woont daar ook vanaf februari 1929 tot juni 1930 Douwe Buwalda. Douwe en Hans zijn oud-klasgenoten van het gymnasium in Leeuwarden en zijn in die gymnasiumtijd vaak met elkaar opgetrokken. Douwe studeert klassieke talen aan de VU.
    Zoals Hans en Douwe eerder op zondag trouwe bezoekers waren van de Koepelkerk in Leeuwarden, zullen zij ook zeker in Amsterdam vaak onder het gehoor van ds. De Graaf hebben gezeten.

    Vondelstraat

    Het laatste studiejaar

    In de zomer van 1931 vertrekt Hans naar Friesland. In januari 1932 gaat hij weer naar Amsterdam en woont dan niet meer in de Vondelstraat maar op de Da Costakade 132.
    Dat is dan ook zijn laatste periode in Amsterdam want na zijn kandidaatsexamen op 1 juli 1932 keert hij nog diezelfde maand terug naar Wommels.

    Niet duidelijk is waarom zijn zesde en laatste inschrijving in oktober 1932 is, terwijl hij al in juli 1932 zijn kandidaatsexamen heeft gedaan. De meest voor de hand liggende verklaring is, dat Hans de mogelijkheid open wilde houden om met een doctoraalstudie te beginnen.
    De laatste twee handtekeningen – in 1931 en 1932 – bij de inschrijving zijn van de hiervoor genoemde hoogleraren Dooyeweerd en Vollenhove, dan in hun functie als Rector. De laatstgenoemden zullen al in het begin van de dertiger jaren het nationaalsocialisme sterk bekritiseren. Zij zullen zeker hebben bijgedragen aan de geestelijke vorming van student Hans de Jong en zijn zeer fanatieke afkeer later van het nazisme.

    Over zijn studie op de VU is weinig bekend. Wel blijkt uit de Almanak van het studentencorps dat hij een aantal functies heeft vervuld.
    Zo is hij op zeker moment praeses van de Theologische Faculteitsvereniging. Verder is hij actief als fiscus van de Oratorische Vereniging “Demosthenes”.
    Ook is hij lid van een van de gezelligheidscommissies, n.l. de muziekcommissie.

    Zijn schrijfstijl is terug te vinden in een door hem geschreven jaarverslag over 1931 van deze commissie:

    “Dat uw muziekcommissie in haar verslag over het afgeloopen jaar niet alleen haar bijna traditioneele klaagzang aanheft, maar ook eenige jubelklanken wenscht uit te stooten, vindt zijn reden in een – zij het dan ook eenige – belangrijke gebeurtenis.

    Hoe ongeloofelijk het ook moge schijnen – het is heusch gebeurd – het Corpus studiosorum in Universitate libera reformata, heeft aan de buitenwereld durven toonen, wat het op muzikaal gebied kan presteeren. Men zie slechts het rijk gevarieerde programma, dat op 25 November ’31 de aandacht van hen, die naar Bellevue gestroomd waren, vroeg voor werken van componisten van allerlei aard, van Händel tot Chopin, van Mendelsohn tot Ravel. Groote belangstelling was er van de zijde der corpsleden niet, reden waarom een dergelijke avond voorloopig misschien niet weer gegeven zal worden. Hulde en dank brengen we hun, die hun gaven en krachten toen gegeven hebben, in ’t bijzonder den niet-corpsleden.

    Wat hier nog volgt kan eigenlijk geen verslag meer heeten, om de eenvoudige reden, dat hier niet langer behandeld wordt, wat gebeurd, maar wat niet gebeurd is. Wij zouden U gevoegelijk kunnen verwijzen naar muziekverslagen van vorige jaren. Herhaling van dit ”nihil” zou banaal gaan klinken, als er niet de ernstige bedoeling in gezien werd om droefenis te wekken en tot verandering, in casu verbetering, aan te sporen.

    Dat de muziek in uw Corps een rol kan spelen, staat vast. Er zijn immers nog altijd menschen onder U, die het meer of minder ver op dit gebied gebracht hebben, en zoolang die er blijven, bestaat er een hoop. Moge die in werkelijkheid verkeeren. Ach, wanneer?

    Na zijn studententijd aan de VU, die hij in vijf jaar voltooit, wordt hij per 1 oktober 1932 benoemd als hulpprediker van de Gereformeerde kerk in Voorburg.

    De Vrije Universiteit

    De VU is in 1927 gevestigd aan de Keizersgracht 162. Dit grachtenpand is in 1883 aangekocht door de “Vereeniging voor Hooger onderwijs op Gereformeerde Grondslag”. Deze vereniging is officieel gesticht op 12 februari 1879 met als doel de stichting van een eigen Gereformeerde universiteit, de Vrije Universiteit. De oprichting van bijzondere universiteiten wordt mogelijk gemaakt door de wet op het hoger onderwijs van 1876. Grote initiator van de VU-stichting is Abraham Kuyper, die in dagblad “De Standaard” al in 1872 schrijft: ‘De staatshoogeschoolen zijn voor de wetenschap krenkend en voor de kerk onbruikbaar’. Geen binding met een kerkgenootschap of de staat, dat is bij deze christelijke universiteit de betekenis van het woord vrij.

    De eerste colleges, met 5 studenten en 5 hoogleraren, worden gegeven in de “Kleine Komedie” aan de Amstel. Na een grondige verbouwing komt het grachtenpand op Keizersgracht 162 in 1884 beschikbaar. Dit pand is niet alleen bedoeld voor onderwijs maar dient ook als internaat voor studenten en hoogleraren, het zogenaamde ‘Hospitium’. Dit hospitium is in de eerste plaats bedoeld voor bursalen. Dat zijn studenten die met een beurs studeren. Zij hebben gratis kost en inwoning. Voor wie jaarlijks 350 gulden betaalt is het hospitum ook een mogelijkheid als er voldoende plaats is. Bedoeling is in het internaat een huiselijke en beschermde omgeving te creëren voor de vaak van ver komende studenten. Als rond 1900 het aantal studenten groeit – in de eerste jaren zijn het er hooguit twintig – wordt in 1899 het grachtenpand op nummer 164 aangekocht ter uitbreiding van de universiteit.

    Een bijzondere bijkomstigheid is, dat Abraham Kuyper daar – op nummer 164 – vanaf oktober 1900 korte tijd woont. Als hij in 1901 na een grote verkiezingsoverwinning van de confessionele partijen minister-president wordt, verhuist hij naar Den Haag.

    In de hal van pand 162 is nog altijd de deur te zien, die Abraham Kuyper vanuit zijn woning binnendoor toegang verschafte tot de universiteit. Wegens geldgebrek wordt dit tweede pand pas in 1923 als universiteitsgebouw ingericht. Tot die tijd is het verhuurd aan een pensionhoudster.

    In 1930 wordt de VU nog uitgebreid met de panden 160 en 166. De VU beschikt dan over vier panden waarbij de zaal van nummer 162 het centrale punt is met een mooie plafondschildering uit het begin van de achttiende eeuw.

    Keizersgracht 162

    Tegenwoordig is op nummer 162 een appartementencomplex en in grachtenpand 164 is hotel “The Toren” gevestigd. Pas in 1968 wordt de Vrije Universiteit verplaatst naar het bekende gebouw in Buitenveldert aan De Boelelaan.

    Bronnen:
    • Een hoeksteen in het verzuild bestel
      De Vrije Universiteit 1880 – 2005
      A.Th. van Deursen 2005, Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam
    • Geen Duimbreed?!
      De Vrije Universiteit tijdens de Duitse bezetting
      Galt Zondergeld 2002, Uitgeverij Meinema Zoetermeer
    • De Vrije Universiteit in oorlogstijd
      Juni 1946, Uitgeversmaatschappij N.V. Gebr. Zomer & Keuning’s Wageningen
    • Kuyper achterna
      Een wandeling door het Amsterdam van Abraham Kuyper
      Peter Dillingh 2007, Eon Pers Amstelveen
  • Voorburg

    Als Hans de Jong in 1932 geslaagd is voor zijn kandidaatsexamen aan de VU schrijft hij zich na de zomer voor de zekerheid wel weer in aan de VU – waarschijnlijk voor eventuele verdere studie – maar komt toch datzelfde jaar nog in contact met de Gereformeerde Kerk in Voorburg. Deze gemeente is op zoek naar een nieuwe hulpprediker. De predikant van deze kerk in Voorburg is ds. W.S. de Vries.

    Ds. mr. Watte S. de Vries (1896 – 1977)

    Ds. mr. Watte S. de Vries, geboren 26 maart 1896 en overleden 4 juni 1977, is predikant in Voorburg vanaf 23 januari 1927. Jong begonnen met zijn theologische studie aan de VU doet hij zijn kandidaatsexamen op 31 oktober 1919. Hij is dan nog niet overtuigd om meteen predikant te worden en daarom gaat hij eerst nog rechten studeren. In juni 1924 legt hij zijn doctoraal examen in de rechten af.

    Toch kiest hij er dan alsnog voor om predikant te worden. In 1924 neemt hij een beroep aan naar het Friese Tzum. Hij volgt daar zijn vader ds. C.W. de Vries op, die in 1922 is overleden. Als geboren en getogen Fries is Watte de Vries een van de eerste predikanten die ook preekt in de Friese taal. In januari 1924 vertrekt ds. De Vries uit Friesland en betrekt met zijn – dan nog kleine – gezin de pastorie in Voorburg. Hij zal daar tot zijn emeritaat in 1964 predikant blijven.

    Bijzondere vermelding verdient het feit dat ds. De Vries na de oorlog de zilveren erepenning van de gemeente Voorburg ontvangt. Dit vanwege het feit, dat hij o.a. het initiatief nam om in de hongerwinter kinderen uit Voorburg en omgeving in Friesland onder te brengen bij gastgezinnen. In nauwe samenwerking met zijn hervormde collega, ds. Jan Hoekert, werden deze evacueés per vrachtwagen vervoerd zodat op de terugweg een lading aardappelen meegenomen kon worden. Deze werd opgeslagen in de consistorie om daarna te kunnen verdelen onder de bevolking. Ook ging ds. De Vries samen met de hervormde predikant ds. Rietveld uit Leidschendam en een rooms-katholieke collega uit Voorburg in februari 1945 naar Friesland om daar een scheepslading van 150 ton levensmiddelen op te halen.

    Hulpprediker

    Sinds een jaar is in de Gereformeerde Kerk van Voorburg kandidaat W.J. van Otterlo hulpprediker. Hij heeft zijn kandidaatsexamen aan de VU een jaar eerder gedaan dan Hans de Jong, nl. in 1931. Van Otterlo heeft een beroep aangenomen naar Oosterend (Fr.), waar hij op 20 november 1932 zal worden bevestigd als predikant. De kerkeraad besluit dan in september 1932 weer een hulpprediker te benoemen. Deze benoeming zal zijn voor één jaar.
    “Een zestal candidaten worden genoemd, aangaande wie Praeses inlichtingen zal trachten te verkrijgen”. Zo staat het genotuleerd in het verslag van de kerkeraadsvergadering van 1 september 1932. Besloten wordt van deze zes “allereerst candidaat de Jong te vragen”, hoewel “van ds. S.G. de Graaf in Amsterdam nog geen inlichtingen betreffende de Jong zijn ontvangen”.
    In de notulen van de volgende kerkeraadsvergadering lezen we dan:
    “Praeses doet nog mededeeling dat Cand. de Jong van Wommels in Voorburg is geweest en met de betrokken commissie heeft onderhandeld en dat het schrijven van Ds. de Graaf van Amsterdam is ontvangen wat onverdeeld gunstig is. Met instemming van al de brs. die met Cand. de Jong gesproken hebben, wordt besloten Cand. de Jong tot hulpprediker te benoemen en hem hiervan zoo spoedig mogelijk bericht te doen, wijl hij ook een benoeming heeft naar Hoorn”. In de vergadering van 30 september 1932 wordt Hans de Jong dan tot ouderling benoemd, waarmee hij officieel hulpprediker in de Gereformeerde Kerk van Voorburg is geworden.

    Daarom verhuist Hans op 3 december 1932 Gereformeerde Kerk Voorburgvanuit de Da Costakade in Amsterdam naar Voorburg waar hij zijn intrek neemt bij de familie Van der Mast in de Laan van Heldenburg. Het kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk is daar vlakbij aan de Laan van Oostenburg 21. Dit kerkgebouw is op 15 december 1910 in gebruik genomen. Vanwege de snelle groei van het aantal leden is de kerk later – in 1926/1927 – ingrijpend uitgebreid met o.a. twee zijgalerijen en een nieuwe voorgevel onder toezicht van architect Tjeerd Kuipers. Nog voor de oorlog, in 1939, is het kerkorgel gerestaureerd. De kerk is in 1987 buiten gebruik gesteld en gesloopt. De andere twee kerkgebouwen van deze gemeente zijn de Noorderkerk aan de Bilderdijklaan en de Effathakapel aan de Effathalaan.

    Uit de Kerkeraad

    Dat Hans de Jong eager is om te evangeliseren blijkt wel uit de volgende zin uit de notulen in het najaar van 1932:
    “Cand. de Jong vraagt of zijn arbeid voor de Evangelisatie zich beperkt tot één onderdeel nl. de jongensclub. De Kerkeraad spreekt uit, dat hij in alle onderdeelen kan meewerken. Hij blijft geheel vrij en kan overal hulp verleenen, waar dit gewenscht wordt geacht”. Uit alles blijkt dat Hans bij zijn werk als hulpprediker en later ook als predikant een voorkeur heeft voor het evangelisatiewerk. Daarvoor kan hij in deze gemeente alvast het voortouw nemen en zijn ideeën gestalte geven. Ook blijkt al zijn bijzondere gave om jongeren te motiveren en te activeren.

    Als Hans in maart 1933 een beroep krijgt van de Gereformeerde Kerk van Bozum, geeft hij op de kerkeraad aan dat hij “groot bezwaar heeft tegen het beroep dat hij ontving”.
    Hij is er te bekend en zal bij een ouderling in de kost komen. Hij heeft zijn bezwaren al kenbaar gemaakt.
    “De Kerkeraad wenscht niet tusschen hem en zijn beroep te gaan staan, doch waar hij meent dat zijn werk in onze gemeente zoo weinig beteekent, spreken verschillende brs. uit, dat zijn arbeid door de gemeente zeer gewaardeerd wordt”. Dit beroep wordt door hem tot blijdschap van de kerkeraad niet aangenomen.

    In september 1933 wordt besloten om de hulpprediker weer voor de tijd van een jaar onder dezelfde condities te benoemen. Hans de Jong neemt de herbenoeming aan. Hij dankt de kerkeraad, dat hij “in Voorburg onder leiding van ds. De Vries zich mag voorbereiden voor zelfstandig werk in een gemeente”.

    Beroep Hoek van Holland

    Het zal dan nog een jaar duren voordat dit werkelijkheid wordt: In de notulen van 13 september 1934 “wenscht de Praeses Cand. de Jong geluk met het beroep, dat deze ontving naar Hoek van Holland”. Er komt dan een einde aan zijn periode als hulpprediker in Voorburg. In een volgende vergadering van de kerkeraad zegt hij daarover dat hij “blij is tot zelfstandig werk geroepen te zijn, maar toch dankbaar dat God zijn weg naar Voorburg geleid heeft, waar hij onder leiding van Ds. de Vries het loopen mocht leeren. Hij weet zich te kort geschoten te zijn. Hij dankt Ds. de Vries voor diens leiding”.

    Een “In Memoriam” van ds. De Vries is in het Jaarboek van de Gereformeerde Kerken geschreven na zijn overlijden op in 1977 door R.A. Flinterman. De schrijver is later evenals Hans de Jong hulpprediker geweest “onder” ds. De Vries. Flinterman beschrijft zijn tijd in Voorburg als hulpprediker:

    “Ondergetekende heeft het voorrecht gehad, dat hij twee jaar onder ds. De Vries hulpprediker mocht zijn. Dat ‘onder’ moet vooral niet worden verstaan in de zin van ‘ondergeschikt’. Deze jaren zijn voor mij een ideale stagetijd geweest, dank zij de amicaliteit, waarmee De Vries mij bejegende en het vertrouwen, dat hij mij schonk. Alle taken werden je – zeer gedoseerd – toevertrouwd en daarbij gaf hij leiding, stuurde soms bij, zonder ook maar enigszins de indruk te wekken, dat hij boven je stond”.

    Vereeniging voor Christelijke Wijsbegeerte

    Een ander karakerisering van ds. De Vries vinden we in zijn schrijven als reactie op de uitnodiging voor de vergadering van de in december 1935 op te richten Vereeniging voor Christelijke Wijsbegeerte met daarbij een verzoek om lid te worden:

    Voorburg, 10 Dec. 1935
    Laan van Oostenburg 45
    Weled. Zeergel. Heer,

    Gezien het vele werk in mijn gemeente – m’n eerste roeping – heb ik
    1e. Praktisch nooit een avond vrij voor niet – beslist – “verplichte” vergaderingen
    2e. Slechts tijd voor beslist – noodzakelijke studie en dat nog niet genoeg.

    Daarom meen ik voor uwe uitnoodiging te moeten bedanken. Ik zou toch een lid zijn, waaraan men weinig of niets had en een dergelijke louter – formeel lidmaatschap heeft voor de vereeniging geen waarde en is voor mij niet begeerenswaard.

    ‘k Heb al meer dergelijke lidmaatschappen en dat is zeer onbevredigend. Ik doe liever één ding of een beperkt aantal goed dan verschillende half of nog minder dan half.

     

    Hoogachtend, uw dw. W.S. de Vries.

     

    Predikant

    Op zijn verzoek wordt aan hulpprediker De Jong ontheffing verleend uit het ambt van ouderling. Zijn ontslag is dan “tegen 31 december”, terwijl hem de laatste weken vakantie wordt geschonken. Op 13 januari 1935 zal hij dan bevestigd worden als predikant in Hoek van Holland. Voordat een kandidaat zijn werk als predikant begint moet deze nog zijn zogenaamde preparatoir examen afleggen voor de classis. Hans zal dit examen eind november doen. Daarom besluit de kerkeraad dat zijn werk in november door de Praeses en de ouderlingen zal worden verlicht.

    Midden in de winter, op 2 januari 1935, verhuist Hans de Jong vanuit Voorburg naar Hoek van Holland en neemt zijn intrek in de pastorie aan de Strandweg. Dit is wat hij graag wil, uit roeping een gemeente dienen als predikant. Nu is het eindelijk zo ver.

    De Christelijke HBS

    In de vergadering van de kerkeraad op 6 april 1933 wordt “Candidaat de Jong” gefeliciteerd met zijn benoeming tot leraar Godsdienst aan de Christelijke H.B.S. in Leiden, het tegenwoordige Visser ’t Hooft Lyceum. Deze school is nog steeds in hezelfde gebouw aan de Kagerstraat gevestigd.

    Waarschijnlijk is deze benoeming tot stand gekomen, doordat een zwager van ds. De Graaf uit Amsterdam les geeft aan deze HBS. Het ligt voor de hand dat Hans hem thuis bij de familie De Graaf geregeld heeft ontmoet. Deze zwager, dr. August La Fleur, is aan deze school werkzaam als scheikundeleraar en woonachtig in Oegstgeest. Hij zal na de oorlog Hans herdenken in het boek “IN MEMORIAM” met als ondertitel “Gevallen leraren in de periode van 1940 – 1945”.

    Dr. August la Fleur (1903 – 1980)

    August la Fleur is geboren in Hollandscheveld (gemeente Hoogeveen) op 18 december 1903. Zijn vader, Daniël la Fleur is daar sinds 1900 hoofd van de lagere school. Het gezin La Fleur verhuist in 1905 naar Beilen als vader La Fleur daar een benoeming krijgt.

    Op 12-jarige leeftijd gaat August naar de R.H.B.S in Assen waar hij in juli 1920 eindexamen doet. Daarna gaat hij naar de universiteit in Groningen voor de studie wis- en natuurkunde. Zijn candidaatsexamen doet hij in oktober 1923 en hij slaagt voor zijn doctoraal-examen met hoofdvak scheikunde in juli 1928. Hij heeft dan meteen een betrekking als leraar aan de Chr. H.B.S. in Zwolle, waar hij ongeveer een jaar blijft. Daarna verhuist August La Fleur in augustus 1929 naar Oegstgeest waar hij een benoeming krijgt aan de Chr. H.B.S. in Leiden. Op 20 november 1930 trouwt hij met Maria Johanna van Mantgem.

    Zijn verdere studie in het vak scheikunde bekroont hij in 1935 met een doctoraat in de wis- en natuurkunde op het proefschrift “Ternaire en quaternaire explosiegebieden en de formule van Le Chatelier”. Van 1949 tot zijn pensionering en afscheid van het onderwijs in 1969 is hij rector van het lyceum “Marnix van St. Aldegonde” in Haarlem.
    Gedurende zijn hele loopbaan is hij betrokken geweest bij verschillende organisaties. Zo is hij jarenlang actief, ook als voorzitter, in de Vereniging van Leraren bij het Christelijk Voorbereidend en Middelbaar Onderwijs. Voorzitter is hij ook geweest van de Raad van Leraren, het latere Nederlands Genootschap van Leraren. In A.R.P.-kring staat hij bekend als kampioen van het verzet tegen de Mammoetwet van minister Cals.
    Na zijn pensionering in 1969 vertrekt hij samen met zijn vrouw naar Ermelo.
    August la Fleur overlijdt op 5 juli1980.

    Hoewel Hans de Jong zijn werk als leraar aan de H.B.S. met enige aarzeling begint, heeft dat jarenlang een grote plaats in zijn leven ingenomen. Als hij later verhuist naar Hoek van Holland blijft hij aan deze school verbonden. Hij gaat dan op lesdagen met de trein naar Leiden en ’s middags soms lunchen bij collega La Fleur, die in Oegstgeest op loopafstand van de school woont.

    Directeur en later rector van de school is dr. P.C. van Arkel. In de latere oorlogsjaren houdt hij in een klein cahier de belangrijke gebeurtenissen bij, die er in die tijd plaatsvinden. De pagina’s waar hij bericht over de bevrijding in de maanden april en mei 1945 zijn hierbij afgedrukt. Daarin schrijft hij in april en mei 1945 o.a.:

    25 Apr ! blikje sardines voor deelen extra voeding v/d jeugd.

    29 Apr Geallieerde vliegtuigen werpen pakketten met levensmiddelen uit op vliegveld Valkenburg.
    10/11 Mei Krijgen we echter pas ’t eerste bacon, kaas, chocola, boter.

    Dan ’t eind! Za 5 Mei 45, Ps 126 en Wilhelmus 1 en 2.
    Na practisch 5 jaren!!

    Eigenlijk niet met woorden te beschrijven. Nederland weer vrij. ’t Wordt pas duidelijk als de Canadeezen 7/8 Mei hier binnentrekken naar Poelgeest.
    Voorbij is die namelooze druk en angst en onzekerheid en willekeur zonder recht.
    Geen razzia’s meer en slavernij hier of in Duitschland.
    Geen moordpartijen en gevangenis
    Geen evacuaties en diefstallen van onze part. en landseigendommen.

    Wij zijn in ’t leven gebleven. Ons schoolgebouw is er nog. ’t Oranjehuis en onze eigen regeering komen terug en en zooveel meer wat tot vreugde stemt.

    Is ’t alles vreugde?

    Oud Collega ds. de Jong uit R’dam-Charlois is vermoord.
    In onze leeraarskamer zullen wij Jelier niet meer zien.
    Zal van Lingen nog leven? En in de lijst van Oud-Leerlingen zijn verschillende namen waarachter geschreven zal worden: gefusilleerd of gestorven in Duitschland.

    9 Mei. Naam “Dr. van Lingen” gelezen bij de bevrijden uit Buchenwald.

    HBS glas-in-lood raam

    Bronnen:
    • JAARBOEK
      De Gereformeerde Kerken in Nederland
      Jaargang 1978
    • In MEMORIAM
      Uitgave van de Raad van Leraren bij het Voorbereidend Hoger en Middelbaar Onderwijs ter herdenking van de door en ten gevolge van de oorlog gevallen leraren in de periode van 1940 – 1945
      Uitgeverij J.B. Wolters Groningen
  • Hoek van Holland

    Op 6 januari 1935 doet Hans de Jong zijn intree als predikant van de Gereformeerde Kerk in Hoek van Holland. Ook in dat dorp aan de Nieuwe Waterweg is de pastorie een centraal punt waar veel jongeren zich thuisvoelen. “Ze moesten maar eens genezen worden van het idee dat een dominee een onnatuurlijk mens zou zijn”, zo meent hij. Hij straalt energie en levenslust uit. Op het strand staat hij op zondagmiddag in zijn grijs colbertje evangelisatiewerk te doen. Hij brengt het evangelie in een gloedvolle toespraak, deelt traktaatjes uit en en gaat met mensen in gesprek. Het is hem op het lijf geschreven.

    Daarnaast blijft hij zijn werk als leraar aan de HBS in Leiden doen; hiervoor reist hij drie keer in de week per trein naar Leiden.

    Mobilisatie

    Als op 28 augustus 1939 de mobilisatie wordt afgekondigd en veel militairen in Hoek van Holland gelegerd worden in en rond fort Maasmond aan de kust, is dat voor hem aanleiding zich ook op hen te richten. Hij maakt veel vrienden onder de militairen, spreekt regelmatig in de militaire tehuizen en belegt contactavonden waar militairen en ook dorpsbewoners welkom zijn. Zijn huis wordt een centrum waar de militairen altijd welkom zijn. Op zondagmorgen, na de kerkdienst, is de pastorie soms overvol met militairen, waaronder veel mariniers.

    In die mobilisatietijd wordt er ook een vluchtelingenkamp ingericht voor opvang van buitenlandse Joden. Ook daarop richt hij zijn zorg en aandacht.

    Oorlog

    Als de oorlog in mei 1940 werkelijk uitbreekt, neemt het aantal vluchtelingen toe. Vooral veel inwoners uit het zwaar gehavende Rotterdam komen als vluchteling aan en hebben hulp en onderdak nodig. De oorlog is begonnen, de hulp aan onderduikers ook.

    Voor Hoek van Holland zijn vanaf de eerste oorlogsdag de gevolgen zeer ernstig. Al in de vroege morgen van vrijdag, 10 mei, vinden er in Hoek van Holland de eerste schermutselingen plaats.

    Een deel van de Duitse parachutisten, aangevlogen door Duitse transportvliegtuigen, landt bij vergissing niet op vliegveld Ockenburg bij Den Haag maar in het Staalduinse bos ten noordoosten van Hoek van Holland. De militairen in en bij het fort krijgen het zwaar te verduren, ook omdat de dreiging vanuit de rug komt. In de loop van die vrijdag en ook de dagen erna vinden er hevige beschietingen plaats en wordt het dorp Hoek van Holland zwaar gebombardeerd en gemitrailleerd door Duitse vliegtuigen.

    Op maandagavond 13 mei, om kwart voor elf, het is dan tweede Pinksterdag, komt het bericht dat een deel van Hoek van Holland moet worden geëvacueerd. Daaronder valt ook de Strandweg, waar de pastorie van ds. De Jong staat. Ook hij moet vertrekken. De enige bagage die hij kan meenemen: een paar preken en een aantal sigaren. Hij neemt die nacht zijn intrek bij ds. Van de Brink in ’s Gravenzande. Onderweg daar naar toe zegt hij tegen zijn huishoudster, mevrouw Van Dorp: “We hebben toch in elk geval een fijne winter gehad”. Het tekent zijn positieve karakter.

    Dinsdags volgt een grote stroom vluchtelingen vanuit Hoek van Holland in de richting van ‘s Gravenzande.

    Op zaterdag 25 mei kunnen de mensen weer terug naar huis. ‘s Zondags daarop is er maar een klein groepje kerkgangers. Het blijft nog gevaarlijk. ’s Nachts wordt er soms nog gebombardeerd en de brandbommen vallen in de onmiddellijke omgeving van kerk en pastorie.

    Een deel van het meubilair wordt uit voorzorg ergens anders ondergebracht en terwijl Hans de Jong ’s nachts bij kennissen slaapt woont hij overdag vier maanden lang in een half lege pastorie. Als hij een keer met een van zijn ouderlingen naar huis terugloopt moeten ze voor het dreigend gevaar schuilen in een rioolbuis. Het zijn voor hem bewogen maanden, waarin hij veel pastoraal werk verzet in zijn gemeente en daarbij veel mensen hulp en troost biedt.

  • Rotterdam-Charlois

    Als Hans de Jong in augustus 1941 naar Rotterdam-Charlois verhuist komt hij in een stad die door de oorlog getekend is. Hij wordt vanaf het eerste moment geconfronteerd met de problematiek van een stad in oorlogstijd. De naweeën van het eerste oorlogsjaar zijn in Rotterdam-Charlois nog voelbaar aanwezig.

    Rotterdam is in aanloop naar de oorlog vanuit militair opzicht van strategisch belang geweest. Niet alleen vanwege de Maasbruggen, die een belangrijke verbinding vormen tussen noord en zuid maar ook o.a. door de havens, de aanwezigheid van militaire troepen, de olieraffinaderijen en niet te vergeten vliegveld Waalhaven, dat grenst aan de wijk Charlois in Rotterdam-Zuid.

    Dat vliegveld is dan op de tiende mei ook één van de eerste doelwitten en wordt door de Duitse Luftwaffe voor het eerst rond 4 uur in de vroege morgen zwaar gebombardeerd. Daarbij raken gebouwen in brand en worden Nederlandse jachtvliegtuigen vernield. Na een tweede aanvalsgolf een uur later is de verwoesting compleet. Daarbij wordt de verdediging van het vliegveld, die bestaat uit ongeveer 600 man, voor een deel uiteengedreven. Nadat er honderden Duitse parachutisten zijn geland en ook andere Duitse luchtlandingstroepen zijn aangevoerd breken er hevige gevechten uit met aan beide zijden tientallen doden. Tegelijkertijd zijn ook in Rotterdam de eerste gevechten uitgebroken.

    Ook het grote bombardement op Rotterdam op Pinksterzondag 10 mei laat zijn sporen na. De inwoners van de havenstad aan de Maas worden geconfronteerd met de vernietiging, de dodelijke slachtoffers en de vele gewonden. Veel mensen ontvluchten de zwaar gehavende stad. Ook blijft vanaf die eerste donkere oorlogsdagen de onderdrukking en repressie van de Duitse bezetter in de havenstad toenemen. Deze zal zijn dieptepunt bereiken in de laatste oorlogsjaren met o.a. de liquidatie van verzetsstrijders en gijzelaars, de deportatie van 12000 Rotterdamse Joden, de grootschalige en zinloze vernielingen van havenwerken en kademuren eind september 1944 en de grote razzia op 10 en 11 november 1944. Dan worden ongeveer 52000 weerbare mannen in de leeftijd van 17 tot en met 40 jaar uit Rotterdam en Schiedam weggevoerd naar het oosten voor arbeidsinzet, het grootste deel (ca. 40.000 man) naar Duitsland.

    Hans de Jong komt dan ook bij zijn verhuizing naar Rotterdam in een stad, die de verschrikkingen van dat eerste oorlogsjaar nog lang niet te boven is. Hij neemt echter vanaf het begin in zijn nieuwe woonplaats een duidelijk en ferm standpunt in, zoals ook eerder al in Hoek van Holland. Zijn werk als predikant in de kerkelijke gemeente van Rotterdam-Charlois eist daardoor alle aandacht en energie op.

    Hij houdt zich niet afzijdig en dat openbaart zich al in zijn houding ten aanzien van de Arbeidsdienstplicht. In mei 1941 wordt deze diensplicht ingesteld en deze wordt verder geconcretiseerd op 1 april 1942 in het Arbeidsdienstplichtbesluit. Ook worden later alle vroegere militairen opgeroepen zich te melden voor krijgsgevangenschap en komt er een meldingsplicht voor studenten en alle 18- tot 35-jarigen.

    Hoe langer de oorlog duurt en hoe meer de mensen gebukt gaan onder de bezetting, des te meer raakt hij ook betrokken bij het illegale verzet.

    In de zomer van 1943 begint dat met het verlenen van hulp aan onderduikers. Veel mensen kloppen bij hem aan en nooit tevergeefs. Hij is voortdurend op zoek naar adressen om zo mensen die gevaar lopen een veilig onderkomen te bieden.

    Hij wordt lid van de L.O. en de K.P. in Rotterdam-Zuid. Verder wordt hij actief in de spionagegroep Albrecht en maakt hij deel uit van de “zwarte”of “illegale” A.R. partij in Rotterdam.

    In een krantenartikel van oktober 1945 bij de herdenking in Charlois wordt daarover geschreven:

    Ds. De Jong sprak , zowel van de kansel, als op catechisatie en huisbezoek, duidelijke taal. Hij wist zich geroepen door zijn Zender en voelde zich genoodzaakt te strijden voor gerechtigheid en waarheid en tegen het Nationaal Socialisme en de bezettende macht. Radikaal was hij en zeker daarom kwam de jeugd op hem af. Naast zijn drukke pastors-arbeid wist hij altijd nog gelegenheid te vinden om plaatsing en werk te zoeken voor onderduikers, om te zorgen voor levensonderhoud en distributiebescheiden. Hij was de vraagbaak voor tal van illegale organisaties, zoals de “zwarte” centrale AR-partij in Rotterdam. In de pastorie werden veel besprekingen gevoerd door de groep Albrecht.
    De pastorie, waar ds. De Jong met mevr. Van Dorp de jongens en meisjes, de vaders en moeders ontving en met hen sprak over de vele moeilijkheden van die dagen, had veel weg van een dokterswoning. Het liep er af en aan. Consequent wees hij alle medewerking af aan arbeidsdienst, arbeidsinzet in Nederland, tewerkstelling in Duitsland, het verrichten van graafwerk, etc..
    Daarbij gaat hij zo ver, dat hij “er voor naar het Maasstation gaat en iemand van de treeplank van de trein haalt om hem te weerhouden zich als arbeidsslaaf te laten gebruiken.

    Ook ds. N. Willemse schetst een beeld van het leven onder de druk van de Duitse bezetting en de manier waarop zijn collega daarin zijn weg zocht. Uit zijn “korte levensschets van Ds. Hans de Jong”[WMS] onder de titel “EEN ARBEIDER IN ’T LICHT VAN DEN OOGSTDAG” volgt hier een fragment.

    Ontzaglijk veel werk is door hem in Rotterdam verzet. Hij arbeidde maar voort, schier onvermoeid, en deed meer dan zelfs zijn beste vrienden vermoedden. Want niet alleen het werk in de gemeente eiste hem op, maar naarmate de moeilijkheden voor ons volk onder de bezetting toenamen en ’t verzet groeide, werd hij ook steeds meer in het illegale werk betrokken. In de zomer van 1943 begon dat met het hulp verlenen aan onderduikers. Hoevelen, in ’t nauw gedreven, klopten niet bij hem aan en nooit tevergeefs. Hij was rusteloos bezig met het zoeken van adressen, waar ze onderdak zouden kunnen vinden, en met het zinnen op middelen, om hen maar te kunnen redden uit de hand van de vervolgers. Waar hij maar een veilig plekje vermoedde, daar klopte hij aan en hij rustte niet voor hij heel zijn gemeente, voorzover dat kon, gemobiliseerd had om de strijd tegen de bezetter te voeren en mee hulp te bieden aan zoveel benauwden van hart. Maar wat kon hij ook toornen, wanneer hij bij sommigen onverschilligheid en liefdeloosheid vond, vaak ook ingegeven door lafhartige angst. Wat verzette hij zich tegen de slapheid van die ouders, die hun jongen naar een arbeidskamp lieten gaan.
    Zo groeide het werk van week tot week. Immers het één zat aan het ander vast. De ondergedokenen moesten ook eten en gekleed worden. De nodige bonkaarten moesten verkregen worden en hoevelen hadden niet een persoonsbewijs nodig en gestempelde papieren, om enigszins veilig te zijn. Zo kwam er vanzelf contact met de daartoe bestaande organisaties. Zijn huis werd al meer een centrum van verzetsactie. Elke dag, van de morgen tot de avond, vaak ook ’s nachts, waren er gasten, die geholpen moesten worden en niemand werd afgewezen! Ook de meest “gevaarlijke” gasten vonden menigmaal onderdak in de pastorie. Er bestonden contacten met allerlei plaatsen uit ons land. Onder zijn eigen huisgenoten waren jongens – hij was er als een vader voor! – die vooraan stonden in het illegale werk en hem trouw hielpen in de uitvoering van het veelsoortige werk.
    Intussen kon al dit werk moeilijk voor het grotere publiek geheel onopgemerkt blijven. Al kon De Jong zelf makkelijk zwijgen over deze dingen, ieder die hulp ontving was niet even voorzichtig. Al spoedig was, niet slechts bij de mensen uit de eigen gemeente, in heel de omgeving bekend dat wie in nood zat bij ds. De Jong kon aankloppen. Velen achtten het daarom noodzakelijk om een waarschuwend geluid te doen horen. Maar, hoe goed bedoeld ook, hij kon deze raadgevingen niet opvolgen. Hij zag dit werk als hem door God zelf opgelegd. Al moest natuurlijk zoveel mogelijk voorzichtigheid worden betracht, het was nu eenmaal onmogelijk alle risico’s te vermijden. We hebben ons menigmaal verwonderd, dat de altijd en overal speurende vijand niet eerder tegenover deze “illegale-strijder-vooraan” argwaan heeft gekoesterd. Wel werd ds. De Jong , evenals zijn collega’s, voor de S.D. geroepen maar dat raakte niet zijn illegale werk. Zoals in menig kerk waren ook in Charlois tijdens de kerkdienst telkens de verraderlijke afgezanten van de vijand aanwezig. Dan moest daarna rekenschap worden afgelegd over wat er gezegd was maar dit leidde gelukkig niet tot gevangenneming…

  • Arrestatie

    Op donderdag, 26 oktober 1944, komen Chris Cattel en zijn vriendin Ellis Maassen, leden van de Haagse KP, per auto terug uit Den Haag. Ze passeren onderweg naar Rotterdam twee controleposten maar bereiken zonder problemen Rotterdam. Echter, bij een autocontrole in de Tochtstraat – een zijstraat van de Zaagmolenstraat – waar Chris even een boodschap moet doen, worden ze door de Landwacht aangehouden. Omdat de legitimatiepapieren van Chris niet in orde zijn worden ze meegenomen naar het hoofdbureau van politie.

    Christiaan Anton Cattel (1922-1944)Christiaan Cattel

    Chris Cattel (schuilnaam Erik van Vloten) is geboren in Den Haag in 1923. Hij woont op de Laan van Meerdervoort en werkt op het departement van Handel en Nijverheid. Op de gedenklijst van de Stichting L.O.-L.K.P. staat hij genoteerd als student.

    In Rotterdam is hij verspreider van Trouw. Eind mei 1944 is hij in Den Haag actief en richt een K.P.-groep op, die in september 1944 naar Rotterdam vertrekt.

    Ellis Maassen zegt daarover[STN]:

    In Rotterdam ontdekten we dat we door de Duitsers gevolgd werden. Ze sommeerden ons te stoppen en één van hen kroop bij ons in de wagen. We werden naar het Haagse Veer gebracht, naar het Rotterdamse hoofdbureau van politie.

    Er zat natuurlijk wel belastend materiaal in de auto maar we konden verder niets doen, want die mof zat achter ons. Voor de deur van het Haagse Veer heeft Chris mij min of meer bevolen in de auto te blijven want hij zou – na zich gelegitimeerd te hebben – terugkomen, zei hij. Ik heb daar zitten wachten onder de ogen van de wacht. De auto stond vlak voor de ingang. Toen trachtte ik zoveel mogelijk materiaal uit de auto te halen en in mijn tas te doen, wat ook gelukt is. Maar ik kon niet bij mijn revolver, die ergens in de zitting verstopt was, zonder dat de wacht dat zou zien.

    Ik ben toen uit de auto gestapt en heb brutaal tegen de wacht gezegd, dat ik het wachten beu was en dat ik om de hoek in het Erasmus Restaurant op mijn verloofde zou wachten. Ik heb hem zelfs gevraagd, of hij die boodschap door zou willen geven. Toen ben ik inderdaad naar het restaurant gelopen en via de achterdeur omgelopen naar ons verzamelcentrum, een donker kroegje ergens in Rotterdam. Daar zat dus het hele stel van ons en daar kwam iedereen in actie. Ik herinner mij dat Boy mij trachtte te troosten.

    De bewuste kroeg is Le Perroquet aan de Provenierssingel achter het Centraal Station. Hans Koomen gaat poolshoogte nemen bij het politiebureau en ziet hoe Chris Cattel wordt weggevoerd. Hij wordt gearresteerd omdat de autopapieren niet in orde zijn. De leden van de Haagse groep, die dit alles van dichtbij meemaken, duiken onder.

    In de auto van Chris wordt een wapen gevonden en ook een sleutel met het label van het Charloisse Volkshuis aan de Katendrechtse Lagedijk 450.[V]

    In het zakboekje van Chris Cattel vindt de SD ook het (schuil)adres van ds. De Jong aan de Wolphaertsbocht 227 [W] op de eerste verdieping.[1]

    Huis aan de Wolphaertsbocht Eerste verdieping van huis aan de Wolphaertsbocht

    De SD is daarom op dat adres aanwezig als Ab de Soet en Hans Hovius daar op de motorfiets aankomen, niets wetend van de arrestatie van Chris Cattel. Ab is lid van de Haagse KP en hij komt Hans Hovius, die eerder nog niet in Rotterdam illegaal actief is geweest, bij ‘Hantje’ introduceren. Deze is echter niet thuis. De twee jongens van net in de twintig worden door de Duitsers ingerekend.

    Albert Johan de Soet (1924-1944)Albert de Soet

    Ab de Soet is geboren in 1924 in Den Haag. In de oorlog is hij student en woont in de Kamillestraat. Hoewel hij niet van plan is zich voor de Arbeidsdienst in Duitsland te melden, laat hij zich toch door een vriend overhalen en vertrekt op 30 juni 1943 naar Duitsland. In september van dat jaar keert hij terug, gedesillusioneerd door wat hij daar heeft meegemaakt en vast van plan de Duitse bezetter in Nederland te bestrijden.

    Hij sluit zich aan bij het verzet (K.P.) in Den Haag en houdt zich o.a. bezig met verspreiding van illegale lectuur en het verzorgen van distributiekaarten en persoonsbewijzen. In september 1944 vertrekt hij met andere KP-ers naar Rotterdam.

    Hans Christiaan Hovius (1922-1944)Hans Hovius

    Hans Hovius, geboren in 1922 in Den Haag, is student. Hij woont in Den Haag aan het Pinksterbloemplein. Hij is eerst werkzaam voor de Ordedienst (O.D.) en ook voor de Intelligence Service G.S. III, een voorloper van de Nederlandse Militaire Inlichtingendienst. Ook is hij in Den Haag lid van de L.O. en de L.K.P. Hans is bevriend met Albert de Soet, met wie hij op 26 oktober 1944 naar Rotterdam gaat om zich daar aan te sluiten bij de Haagse KP-ers.

    Zoals elke week is er die donderdagmiddag een bidstond – geleid door ds. Nicolaas Willemse – in de Vlietkerk (de latere Bethelkerk) aan de Boergoenschevliet[B]), waarbij gebeden wordt om uitkomst in de nood van bezetting en onderdrukking. Deze dienst wordt ook door Hans de Jong bijgewoond. Als hij na de dienst op weg gaat naar zijn schuiladres aan de Wolphaertsbocht wordt hij door buurtbewoners gewaarschuwd voor het dreigende gevaar. Hij is echter niet van plan de twee KP-ers in de steek te laten en wordt bij thuiskomst voor de deur van zijn huis ook gearresteerd. Binnen wordt door de SD huiszoeking gedaan terwijl ds. De Jong onder schot gehouden wordt. Hoewel er wapens in huis aanwezig zijn worden deze niet gevonden.[2]

    Ds. Willemse[WMS]:

    Rustig en schijnbaar onbewogen zat hij neer, vond nog gelegenheid om voor het dienstmeisje te pleiten – mevr. Van Dorp was gelukkig juist afwezig en kon nog bijtijds gewaarschuwd worden – en werd toen met de twee anderen per auto vervoerd naar de Heemraadssingel waar ’t beruchte huis van de SD zich bevond.

    Daarna wordt ook huiszoeking gedaan in het Charloisse Volkshuis, waar de directeur Willem van der Schee als verdachte wordt weggevoerd.

    Willem Leendert van der Schee (1909-1944)Willem Leendert van der Schee

    Wim van der Schee is geboren in 1909 te Rotterdam als zoon van Leendert van der Schee en Johanna Lems. Het Gereformeerde gezin telt vier zoons en drie dochters. Wim trouwt in november 1939 met Petronella Goedvolk en woont dan – met een onderbreking – in de De Quakstraat op Zuid.

    Wim is eerst reiziger van beroep en wordt later jeugdleider van Clubhuis “De Arend”. In de oorlogsjaren is hij directeur van het Charloisse Volkshuis aan de Katendrechtse Lagedijk. Hij raakt betrokken bij het werk van de KP. In het Volkshuis worden enkele Haagse KP-ers ondergebracht. Verder worden er wapeninstructies gegeven en ook wapens opgeslagen.

    ’s Avonds rond half 8 loopt ook Klaas van Drimmelen – een gemeentelid van de dominee – in de val, als hij hem aan de Wolphaertsbocht een bezoek wil brengen. Hij wordt door de Landwacht, die daar is blijven posten, ingerekend. Om op deze manier nog meer illegale werkers te kunnen oppakken blijven de landwachters in de woning van de predikant!

    Daardoor kan ook Koos de Jong, illegaal Bruintje genoemd, worden aangehouden als hij nietsvermoedend langskomt om Hans de Jong iets te brengen. Bij fouillering wordt er o.a. een verdacht briefje over een wapentransport gevonden. Het pistool en de bonkaarten, die hij van plan was aan ‘Hantje’ te geven heeft hij achtergelaten bij zijn moeder aan de Katendrechtsche Lagedijk.[OHK1]

    Alle arrestanten worden naar het gebouw van de SD – de z.g. ‘Aussenstelle’ – op de hoek van de Heemraadssingel[H] en de Mathenesserlaan gebracht om verhoord te worden. Diezelfde nacht nog wordt Adrie Knijff – die in eerste instantie met Ab de Soet naar Rotterdam had zullen gaan – van zijn bed gelicht door de Haagse SD en meegenomen.

    ’s Avonds verspreidt zich in Charlois het droeve nieuws: Ds. De Jong is gevangen genomen en weggevoerd.

    [1] In Het Parool van 14 november 1944 wordt een andere lezing gegeven omtrent de ontdekking door de Duitsers van het adres aan de Wolphaertsbocht waar ds. De Jong verbleef. Het artikel begint met de volgende alinea:

    Op 23 October j.l. begon het drama, dat leidde tot de barbaarsche ‘ontmanning’ van Rotterdam en omstreken. Op dien dag heeft de Gestapo in het St. Franciscus Ziekenhuis een inval gedaan. In de kelder werden verschillende personen gearresteerd en tien daarvan op de plaats vermoord. Hier werden enkele lijsten gevonden, die als gevolg hadden, dat de Geref. Predikant van Charlois, ds. De Jong, en nog vier leden van een verzetsgroep werden gearresteerd en doodgeschoten. Vervolgens worden nog 90 mannen, aan de hand van de gevonden lijsten, gearresteerd en in het bureau Haagse Veer opgesloten. Den volgenden dag geschiedde op dit bureau een overval door 50 man met enkele overvalauto’s. Zij forceerden de toegang en wisten 40 van de gearresteerden te bevrijden.

    Het ligt niet voor de hand dat dit verslag in het Parool juist is omdat ds. De Jong pas op donderdag 26 oktober ‘s middag is gearresteerd, dus twee dagen na de overval op de gevangenis aan het Haagse Veer.

    [2] In zijn boek ‘Knokploeg Rotterdam-Zuid’[OHK1] vermeldt Oosthoek dat er door de SD wél wapens worden ontdekt in de woning waar ds. De Jong gevangen wordt genomen.

  • Heemraadssingel

    Alle arrestanten, die op donderdag 26 oktober zijn gearresteerd, worden overgebracht naar het gebouw van de SD aan de Heemraadssingel[H] in Rotterdam, waar ze worden ondervraagd. Koos de Jong is de laatste arrestant, die uit het huis aan de Wolphaertsbocht wordt opgehaald door de ‘Kriminalsekretär’ J.W. Hoffmann met een handlanger. Bij binnenkomst worden hem op de gang al enige vragen gesteld door een lid van ‘groep X’, die op Charlois woont. De Duitse Sicherheitsdienst heeft in Rotterdam de beschikking over een dertigtal Nederlandse poltiemannen, die berucht zijn geworden onder de naam ‘Groep X’ (uitgesproken als Groep Tien). Deze pro-Duitse politiebeambten houden zich intensief bezig met het opsporen van (Joodse) onderduikers.

    Nadat Koos de eerste uren op zijn hurken op de gang moet zitten wordt hij overgebracht naar dezelfde kamer waar ook Hans de Jong vastgehouden wordt. Beide mannen moeten daar ook urenlang gehurkt blijven zitten. Hans de Jong schrikt van de arrestatie van één van zijn catechisanten. Koos vertelt aan de dominee dat hij ook bij het huis aan de Wolphaertsbocht is gearresteerd en zegt dat hij de Duitsers probeert wijs te maken dat hij voor catechisatie naar hem toe kwam. ’s Nachts wordt Hans de Jong voor de tweede maal door Hoffmann verhoord, waarbij het er hard aan toe gaat volgens Koos. Omdat het verhoor in de kamer ernaast plaatsvindt kan hij er het een en ander van horen. Hans, die waarschijnlijk wel beseft dat hij het er niet levend vanaf zal brengen, gaat flink tekeer. Hij slaat enkele malen met de vuist op tafel, waarbij hij emotioneel uitroept: “Je kunt me alleen maar in de hemel schieten”.

    Later wordt ook Koos door Hoffmann ondervraagd. Tijdens dat verhoor wordt Chris Cattel binnengebracht aan wie gevraagd wordt of hij Koos kent. Chris ontkent echter hem ooit gezien te hebben. Tussen de verhoren door moeten ze urenlang gehurkt op de grond blijven zitten, wat op zichzelf al een marteling is.

    Hans Hovius heeft tijdens zijn verhoor – naar waarheid – uitgelegd dat hij niet eerder actief is geweest in het verzet. Bij terugkomst in de cel zegt hij tegen Van Drimmelen dat de Duitsers hem hebben gefeliciteerd omdat hij niet heeft deelgenomen aan het illegale werk. Klaas van Drimmelen heeft tijdens het verhoor aangegeven dat hij naar ds. De Jong is gegaan voor een kerkelijke aangelegenheid.

    De Duitsers maken de balans op en voor hen is het duidelijk. De papieren van Chris Cattel kloppen niet en in zijn auto wordt een pistool gevonden. In de woning van de dominee zijn wapens gevonden en in het Charlois Volkshuis is een zak met zogenaamd kneedplastic gevonden, die is blijven liggen nadat alle wapens voor de inval nog waren weggehaald.[OHK1]

    Van Drimmelen wordt vrijgelaten en ook Koos de Jong – die zelfs zijn in beslag genomen spullen terugkrijgt – gaat vrijuit. Waarschijnlijk hoopt de SD via hem nog meer illegale werkers op het spoor te komen. Later die dag doen de Duitsers inderdaad een poging om hem weer te arresteren. Als hij merkt dat ze hem volgen weet hij echter in een flatgebouw een veilig heenkomen te vinden. Hoewel de Duitsers het gebouw omsingelen vinden ze hem niet. Na twee dagen geven ze hun poging op en kan Koos, die door de bewoners onder een planken vloer verborgen gehouden wordt, wegkomen.

    Uit het vervolg blijkt de onvoorstelbare wreedheid en genadeloosheid van de Duitse terreur. Ds. Hans de Jong, Willem van der Schee, Ab de Soet, Hans Hovius en Chris Cattel worden zonder vorm van proces veroordeeld tot de dood voor het vuurpeleton.

  • Droeve tijding

    Kort na thuiskomst uit de kerkdienst op zondagmorgen, 29 oktober 1944, tussen twaalf uur en half één, komt een rechercheur bij ds. Willemse aan de pastorie met de mededeling dat onder degenen, die zaterdag 28 oktober gefusilleerd zijn, zich ook een H. de Jong bevindt.

    Ds. Willemse daarover[WMS]:

    Hij vermoedde dat het mijn collega was. Wat hij vermoedde was voor mij zekerheid. Nooit zal ik dat moment vergeten! Heel mijn ziel was in beroering. Ik wist  dat het feit was en ik doorleefde het tegelijk als een bange droom: “Hans is niet meer in dit aardse leven“.  Toch, ik wilde voordat ik het anderen meedeelde, me zelf vergewissen dat het bittere waarheid was. Met een lid van de gemeente (R.W. Klein) ging ik naar Crooswijk waar het lichaam moest opgebaard zijn. Zonder veel moeite kregen we toegang en konden zelf zien. Hij lag daar, kalm en vredig, met een vastberaden trek om zijn mond. Slechts een schotwond bij zijn slaap herinnerde aan het geweld van de vijand. Naast hem, aan beide zijden, de vier, die met hem ter dood gebracht waren. Drie K.P.-ers en dan ook nog een broeder van de gemeente, die, hoewel onschuldig, toch gegrepen was en mèt ds. De Jong werd neergeschoten.

    Ontroerend, deze harde werker en onvermoeide strijder, zomaar uit het volle leven, dat hij zo intens beleefde, weggerukt. Naar de wens van zijn hart: “in het harnas gestorven”. Hij, die zo’n ontembare vrijheidsdrang in zijn leven kende, die soms de grens van het ongebondene bereikte, heeft de dag van de bevrijding van zijn vaderland, waarvoor hij zo hard gewerkt had, niet mogen beleven.

    Zondag in de namiddag wordt aan het einde van de kerkdienst in de Charloise kerken de volgende boodschap voorgelezen:

    Broeders en Zusters, wij zijn in de droeve noodzakelijkheid u een ontroerende mededeling te doen.

    Hedenmiddag is ons bericht, dat Ds. De Jong gisteravond om 5 uur door God in heerlijkheid is opgenomen. Voor hem een blijde verlossing, voor ons een zwaar verlies. De Here geve de zijnen en allen, die hem liefhadden, ja onze hele gemeente, de genade, om onder dit leed stil te zijn voor God.

    Op dit ogenblik, waarin onze gedachten zich zozeer vermenigvuldigen, ontbreken ons de juiste woorden maar laten we samen met het oog op de verlossing, die hem ten deel viel, zingen Psalm 73 vers 12.

    ‘k Zal dan gedurig bij U zijn,
    in al mijn noden, angst en pijn,
    U al mijn liefde waardig schatten
    wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
    Gij zult mij leiden door Uw raad,
    o God, mijn heil, mijn toeverlaat;
    en mij, hiertoe door U bereid,
    opnemen in Uw heerlijkheid’.

    Er gaat een golf van ontroering door de gemeente bij het horen van dit bericht en het zingen van dit lied. Op veel gemeenteleden maakt het diepe indruk die veel mensen zich altijd zullen blijven herinneren.